Te slim voor de arbeidsmarkt

Het aantal promovendi neemt toe, maar het aantal vervolgbanen op universiteiten groeit niet mee. En op het bedrijfsleven zijn promovendi niet voorbereid.

BIRTE SCHOHAUS & MARIJKE DE VRIES

Mensen met een doctorstitel hebben het goed voor elkaar. Ze hebben onderzoek van hoog niveau gedaan, dat internationaal gewaardeerd wordt. De eerste stap in hun wetenschappelijke carrière is gezet. De academische wereld ligt voor hen open.

Niet dus. Het aantal promovendi in Nederland neemt al jaren toe*, maar het aantal vervolgbanen op universiteiten groeit niet mee. Voor slechts 20 procent van de promovendi is plek in de wetenschap. Dat betekent dat van de 3.715 personen die in collegejaar 2010-2011 promoveerden er 750 een academische carrière tegemoet kunnen zien. De rest moet iets anders zoeken.

Zoals Josy Ubachs-Moust (36). Ze promoveerde vorig jaar aan de Universiteit Maastricht op een onderzoek hoe artsen de leeftijd van een patiënt laten meewegen in beslissingen over de behandeling. Ze wilde wel onderwijs gaan geven aan de faculteit, maar dat ging niet door. Ze had al drie tijdelijke contracten gehad en de universiteit wilde geen onderwijspersoneel in vaste dienst nemen. „Er is weinig vast personeel dat graag college geeft. Ik dacht: ik kan de mensen die liever onderzoek doen juist ontlasten. Maar zo werkte het blijkbaar niet.” Van september tot en met maart zat ze werkloos thuis. In april kon ze weer even bij de universiteit aan de slag: ze vervangt voor zes maanden een beleidsmedewerker. Maar een vast dienstverband zit er wegens een vacaturestop niet in. „Ik ben dus alweer druk aan het solliciteren.”

Gepromoveerden kunnen vaak even blijven hangen, beaamt Hans Sonneveld, directeur van het Nederlands Centrum voor de Promotieopleiding. Ze kunnen vlak na hun promotie wat onderwijstaken vervullen, maar na drie tijdelijke contracten – het wettelijk maximum – houdt het bij de universiteit meestal op. Niet alleen een wetenschappelijke carrière, ook een baan als docent is alles behalve vanzelfsprekend voor gepromoveerden. Wat dan rest is de overstap naar het bedrijfsleven.

En die switch is niet eenvoudig. Veel gepromoveerden belanden, tenminste tijdelijk, in de WW. Inhoudelijk zijn de onderzoekers vaak goed, maar het promotietraject bereidt hen nauwelijks voor op het bedrijfsleven. Na een periode waarin alles om hun proefschrift draaide, moeten ze zichzelf opeens verkopen op de arbeidsmarkt. Ze delven dan snel het onderspit tegenover net-afgestudeerden die zich al tijdens hun studie op de arbeidsmarkt georiënteerd hebben en door werkgevers als flexibeler, gemotiveerder en plooibaarder worden gezien.

Uit een rapport van universiteitenvereniging VSNU uit 2008 blijkt dat er met name voor gepromoveerden op de gebieden taal & cultuur en gedrags- en maatschappijwetenschappen weinig mogelijkheden zijn op de arbeidsmarkt. „Wanneer het aantal promotieplekken toeneemt, wordt dit probleem urgenter”, staat in het rapport.

Universiteiten zien dat anders. Zij willen het liefst nog meer promovendi werven. Niet alleen omdat er anders nooit zoveel onderzoek gedaan zou kunnen worden – 34 procent van het wetenschappelijk personeel bestaat uit promovendi – maar ook omdat universiteiten per gepromoveerde een bonus tot 90.000 euro van het ministerie van OCW kunnen opstrijken.

De VSNU is daarom enthousiast over het voornemen van demissionnair staatssecretaris Zijlstra van hoger onderwijs om de wet te wijzigen zodat promovendi ook als ‘bursaal’ – een student met een beurs in plaats van een werknemer met salaris en werknemersrechten – kunnen worden aangesteld. Dat is goedkoper voor de universiteiten. Ze kunnen dan voor hetzelfde bedrag meer promovendi aanstellen. Ook sluit zo’n systeem volgens de VSNU beter aan bij wat in het buitenland gebruikelijk is.

En dat is niet alleen voordelig voor universiteiten, vindt de VSNU. Zo’n stelsel biedt kansen voor Nederlandse studenten, vindt woordvoerder Martine van der Lee: „Doordat het bursalensysteem goedkoper is, komen er meer plekken beschikbaar. Als je het promotietraject ziet als een voorbereiding om te excelleren in een andere sector is het mooi dat meer mensen daartoe de kans krijgen.”

Niet iedere promovendi kijkt zo positief op een promotietraject terug. „Wie denkt dat promoveren een rendabele investering is, komt van een koude kermis thuis”, zegt een gepromoveerd historicus die niet met zijn naam in de krant wil. Hij werkt op een ministerie. „Je hebt een achterstand op de arbeidsmarkt en in salariëring die je nooit meer goed maakt. Tenzij je de wetenschap ingaat, is een doctorstitel in Nederland niets waard. Iemand moet aankomende promovendi daarvan doordringen, want de universiteiten doen het niet.” Zelf zocht hij tien maanden naar een baan buiten de academische wereld. Het eerste dat hij bij uitkeringsinstantie UWV te horen kreeg, was dat hij zijn academische graad beter van zijn cv kon halen, daarin waren werkgevers absoluut niet geïnteresseerd. Het zou hen zelfs kunnen afschrikken. „Best pijnlijk. Je promotie is toch je persoonlijke Mount Everest.” Hij schreef zo’n vijftig sollicitatiebrieven. Naar banken, onderzoeksbureaus, consultancy firma’s, lokale overheden. Drie keer werd hij op gesprek uitgenodigd. Zijn vrouw: „Vonden ze hem te slim. Kreeg hij te horen: ‘Je denkt te veel na, dat kost te veel tijd’.”

Andere geïnterviewde promovendi hebben soortgelijke ervaringen: promoveren telt gewoon niet mee als ‘echt werk’. In veel promotietrajecten is er bovendien vrijwel uitsluitend aandacht voor het onderzoek, daardoor sneeuwen andere kwaliteiten, die promovendi een voorsprong op andere sollicitanten op de arbeidsmarkt zouden kunnen geven, onder.

Het Promovendi Netwerk Nederland werkt om die reden aan een ‘professional phd programme’. Een project waarin promovendi tijdelijk voor bedrijven kunnen werken zonder dat ze aan elkaar vast zitten.

Dat is nodig, merkt directeur Jeroen Sparla van de vacaturesite Academic Transfer. „Wij zaten op een gegeven moment met managers van organisaties als TNO aan tafel. Die zeiden: ‘We hebben goede onderzoekers nodig, maar ze moeten ook klant- en adviesgesprekken kunnen voeren.’ Dat zijn vaardigheden die niet alle promovendi hebben. Die moeten ze echt gaan ontwikkelen.”

Ook promovendi moeten hun verwachtingen bijstellen. Een groot aantal heeft nog steeds een verkeerd beeld van de wetenschap, zegt Sparla. „Als je voor een zaal vol pas gestarte promovendi staat en vraagt ‘wie wil er hoogleraar worden’, gaan alle vingers omhoog. Op die motivatie worden ze meestal ook geselecteerd. Maar dat kan natuurlijk helemaal niet. Van de vierduizend onderzoekers die jaarlijks promoveren, zijn er maar tweehonderd professorabel.”

Steeds meer universiteiten bieden daarom via hun loopbaancentrum of Graduate Schools trainingen aan, vertelt Liesbeth Volbeda, loopbaancoach van de Rijksuniversiteit Groningen. Daarin draait het om ‘transferable skills’, vaardigheden die promovendi ook buiten de universiteit kunnen gebruiken, bijvoorbeeld bij adviesbureaus of de overheid. „Promovendi hebben vaak het gevoel dat ze één ding heel specifiek kunnen en dat niemand daar op zit te wachten. Om een passende baan te kunnen zoeken, moeten ze erachter komen: wie ben ik, wat wil ik, wat kan ik.” Dat promovendi dat niet altijd kunnen benoemen, heeft volgens haar onder andere te maken met de relatie die ze met hun promotor hebben. „Complimenten zijn schaars in de wetenschap. Je krijgt zelden te horen dat je iets goed doet. Wij geven de bevestiging wel.”

Maar ook promovendi die het wel belangrijk vinden, aarzelen om zo’n cursus te doen, zegt Madelon. „Door deel te nemen geef je je begeleider het signaal: ik ben verloren voor de wetenschap. Dan ben je dus niet meer boeiend voor hem, terwijl je nog wel afhankelijk bent van diegene, je moet immers nog promoveren.”