Prinsesjes! Hebben jullie een vriend?

Hoe erg is het op straat in Nederland? Verslaggevers van nrc.next gaan twee Amsterdamse wijken in. „In deze buurt zal niemand je een hoer noemen”, zegt een jongen in Slotervaart.

Hoe vaak zijn we zelf eigenlijk nageroepen op straat? We beginnen te tellen. Jolique (22) komt niet ver. Ja, ze wordt wel eens aangesproken, er wordt wel eens gefloten. En ja, net als in de Belgische documentaire: meestal door allochtone mannen. Maar daar blijft het bij.

Maar Martine (23) realiseert zich al tellend dat zij eigenlijk behoorlijk vaak is lastiggevallen. Nooit over nagedacht, maar inderdaad: tientallen keren is ze uitgescholden voor hoer of slet (meestal door blanke jongens en meisjes), bespuugd, en ook wel eens gestalkt door zes jongens in de trein: mag ik je telefoonnummer? Geef dan je ping! Geef je whatsapp dan joh. Het ging door tot de aankomst op een station.

We willen weten hoe erg het is. Kun je in Nederland als jonge vrouw echt niet over straat zonder nageroepen te worden? We nemen de proef op de som in twee buurten in Amsterdam: Slotervaart en Noord.

Maandagavond, half tien. Slotervaart lijkt uitgestorven. We lopen naast elkaar, als twee vriendinnen. Na vijf minuten al klinkt het eerste ‘woehoe!’ Er rijdt een auto voorbij. Iemand roept door het open raampje. Voor we kunnen zien wie dat was, is de auto al de hoek om.

We lopen naar een pleintje met winkels. Als we daar aankomen, zien we alleen mensen die nog laat boodschappen doen bij Albert Heijn. We blijven hangen bij de bankjes voor de ingang. De meeste mannen die langskomen, staren naar onze benen, als ze voorbij zijn, kijken ze nog om met een soort ‘oh la la’-blik. Maar ze zeggen niets.

Dan komt er een groepje jongens de hoek om gerend. Zonder oogcontact te maken lopen we in hun richting. Ze rennen ons zwijgend voorbij.

Het wordt donkerder buiten en het begint te regenen. We besluiten terug te lopen naar het station, als we een groepje allochtone jongens zien hangen. Rustig lopen we langs. En dan komt het: „Hallo prinsesjes.”

Prinsesjes? Jolique draait zich om. „Waarom zeggen jullie dat eigenlijk?”

De jongens lachen een beetje en halen hun schouders op. „Normaal doe ik dat niet hoor”, zegt de eerste. „Had je iets anders willen horen?”, zegt de tweede jongen. „Maar hebben jullie een vriend? Trouwens, volgens mij vallen jullie helemaal niet op mannen.” We lachen ongemakkelijk. „Jullie zijn vast lesbisch.”

„In deze buurt zal niemand je een hoer noemen”, zegt de eerste jongen, als we vertellen waar we mee bezig zijn. „Sowieso is iedereen nu binnen, het is etenstijd. Ramadan, hè.” Maar wat was er gebeurd als we hadden gezegd: ja, we zijn lesbisch, vragen we ons af. Het was voor ons het meest intimiderende moment.

Verderop krijgen we nog een begerig ‘dag dames!’ toegeroepen door een man op de fiets. Daar blijft het bij. Bij een buurthuis staat een grote groep allochtone jongeren buiten. Als we langslopen, valt het gesprek juist stil. Als we voorbij zijn, begint iemand besmuikt te lachen.

En Noord? Stil, voornamelijk. Op een regenachtige dinsdagochtend loopt daar bijna niemand op straat, en helemaal niemand roept er meisjes na.