Elke vrouw is op straat wel eens lastiggevallen

Lastiggevallen worden op straat, de Belgische Sofie Peeters werd er gek van. Haar documentaire leidt tot heftige discussies. Maar waar komt het probleem vandaan? En wat is eraan te doen?

Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Schatje? Waarom zeg je niets? Als ik kon, zou ik ’m erin steken. Waarom antwoord je niet, hoer!

Een heftige eenzijdige conversatie. Maar niet uitzonderlijk, bleek uit de documentaire van de Belgische Sofie Peeters, studente aan de filmschool, over seksuele intimidatie in de straten van Brussel. Sinds ze in die stad woont en studeert, wordt ze constant lastiggevallen door (groepen) mannen als ze naar huis loopt. Vooral door allochtonen. Voor haar was dit fenomeen nieuw en onverwacht. Haar documentaire kwam eind vorige week uit.

De documentaire leidde tot heftige discussie. Moeten we dit tolereren? De Brusselse wethouder voor toerisme wil dat het verboden wordt om seksistische opmerkingen te maken op straat: een boete van 250 euro.

Ook in Nederland ging de documentaire niet ongemerkt voorbij. Gebeurt dit hier ook? Hoe erg is het? Moeten we er wat aan doen? En wat kunnen we eraan doen?

Het gebeurt hier ook. Twee jaar geleden pleitte Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam voor een ‘fluit- en sisverbod’ in zijn stad. Hij wilde dat uitgaan in de stad veiliger zou worden voor vrouwen. „Ze moeten gewoon naar huis durven fietsen”, zei hij. Seksuele intimidatie is verboden, maar meestal is het lastig te bewijzen.

Een niet-representatieve steekproef onder vrouwelijke collega’s en vriendinnen leert dat niet iedereen de extreme situatie die Sofie Peeters voor Brussel schetst, herkent. Maar elke vrouw wordt wel eens, of regelmatig, lastiggevallen. Met uiterlijk, leeftijd en kleding heeft het niet veel te maken, lijkt het. De wijk of het stadsdeel waar de vrouw zich bevindt, maakt wel groot verschil.

Dat klopt, zegt Willy van Berlo, programmacoördinator bij het Nederlandse kenniscentrum voor seksualiteit, Rutgers WPF. „En het maakt ook uit hoe de vrouw in kwestie het ervaart en erop reageert. De een denkt ‘nou en?’ en besteedt er geen aandacht aan. De ander zwaait even en weer een ander voelt zich diep gekwetst.”

Het maakt ook uit wát er gezegd wordt en op welke manier, zegt Van Berlo. „Het maakt groot verschil of een bouwvakker vanaf een steiger naar een langsfietsende vrouw fluit of roept. Of dat een man een langslopende vrouw volgt en ‘hoer’ noemt als ze niet op hem reageert.”

Sofie Peeters woont in een Brusselse wijk met veel migranten. Zij wordt vooral door mannen van Noord-Afrikaanse afkomst lastiggevallen. De documentaire suggereert dat het om een ‘allochtonenprobleem’ gaat.

Dat gaat het ook, zegt socioloog Herman Vuijsje. „Nederlandse mannen zullen misschien een vrouw nafluiten op straat. En wellicht vindt ze dat ook wel leuk. Maar je ziet ze niet snel op een intimiderende manier achter een vrouw aanlopen en haar uitschelden. Dat zijn vaak jongens met een Marokkaanse achtergrond.”

Ibrahim Wijbenga, straathoekwerker in Amsterdam Nieuw-West, herkent dat. Hij ziet vooral Marokkaans-Nederlandse en Antilliaanse jongens die meisjes lastigvallen. Zijn Nederlandse schoonmoeder werd laatst voor varken uitgemaakt, van zijn zusjes hoort hij dezelfde verhalen. „Het is onderdeel van de straatcultuur”, zegt hij. „Extreem machogedrag. Heel intimiderend.”

Negen op de tien Marokkaans-Nederlandse (jonge) mannen gedraagt zich keurig, zegt Wijbenga. Maar we moeten onze ogen niet sluiten voor het deel dat het niet doet.

In België reageerden Marokkanen snel: de Belgische filmmaker Hassan Rahali vond dat de documentaire te veel gericht was op de allochtonen. Volgens hem is het probleem van seksuele intimidatie op straat geen cultureel bepaald probleem, maar vooral een ‘opvoedprobleem’.

De islamitische seksuele moraal speelt volgens de Belgische acteur Mourade Zeguendi ook een rol. In de documentaire van Peeters vertelt hij dat hij vroeger ook op straat rondhing en meisjes lastigviel. Thuis is seksualiteit taboe, vertelt hij. „Je lichaam begon te veranderen, ze legden niets uit. Je krijgt bepaalde driften, je begrijpt er niets van. Er wordt niet over gesproken.” Hij mocht niet met meisjes uit de buurt praten. Want het kon de zus van een vriend zijn of de dochter van een familielid. „We mogen zelfs niet naar de vrouw kijken. We bedekken haar helemaal. Het begint vanuit respect, maar het eindigt als extremiteit.”

Dat geldt voor veel allochtone jongens, zegt Willy van Berlo van Rutgers WPF. „Het verschil met wat ze op straat zien, is groot. Daar lopen de meisjes met blote benen. In de reclames worden vrouwen soms halfnaakt afgebeeld.”

Dat levert een hoop frustratie op, zegt Herman Vuijsje. „Die frustratie wordt op straat afgereageerd.” Hij ziet het probleem al jaren. Twintig jaar geleden werd zijn dochter, die toen in de Utrechtse wijk Kanaleneiland woonde, al nageroepen door Marokkaans-Nederlandse jochies van dertien of veertien jaar: ‘Hoer!’ Niemand pakt ze bij het nekvel en zegt: wat jij doet, kan echt niet.”

Als ze dat thuis niet leren, dan is het des te belangrijker dat dat op school wel gebeurt, zegt Van Berlo van Rutgers WPF. „En dan bedoel ik niet alleen dat de leerlingen leren waar de kindertjes vandaan komen. Ook hoe je respectvol met elkaar omgaat.”