De Euro wankelt. Wiens schuld is dat?

De eurocrisis is een politieke crisis, vindt Lex Hoogduin. Overheden hadden elkaar na de invoering van de euro bij de les moeten houden.

De Europese Centrale Bank (ECB) is tot nu toe geslaagd in het handhaven van prijsstabiliteit. Dat is haar hoofdtaak. De meeste andere economische indicatoren in het eurogebied zien er beter uit dan die van andere ontwikkelde landen. Toch is de wereld in de ban van de eurocrisis. Hoe kan dat?

De crisis is deels een uitloper van de financiële crisis van 2007-2008. Eerst in Ierland en later in Spanje knapte een zeepbel in de onroerendgoedsector met als gevolg een financiële crisis, zoals dat ook gebeurde buiten het eurogebied: in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

De meeste landen in het eurogebied kenden geen onroerendgoedzeepbel. Duitsland is daarvan het beste voorbeeld.

De financiële crises in Ierland en Spanje hebben weinig te maken met de euro. Maar door de steun aan het bankwezen en de economische recessie, die het gevolg waren van de problemen in de onroerendgoedsector, verslechterden de overheidsfinanciën van die twee landen en werd de financiële stabiliteit in het eurogebied als geheel geraakt.

De financiële markten in het eurogebied zijn sterk vervlochten. De tegenpartijen van schulden van het ene land zitten niet alleen in het land zelf, maar ook in de rest van het eurogebied. Daarbij zijn vaak banken en andere financiële instellingen betrokken. Schuldproblemen van landen zijn daarom onmiddellijk ook problemen voor de financiële sector in het eurogebied.

De economische recessie (veroorzaakt door de wereldwijde financiële crisis) leidde daarenboven tot een verslechtering van de overheidsfinanciën in het gehele eurogebied. Veel landen zagen tekorten en schulden uitstijgen boven de Europese normen. Maar niet in dezelfde mate. De uitgangsposities waren verschillend. Veel landen hadden zich al voor de crisis niet aan de regels met betrekking tot overheidsfinanciën gehouden of onvoldoende buffers opgebouwd voor slechte tijden. Het meest extreme voorbeeld daarvan is Griekenland. Landen hebben elkaar na de invoering van de euro dus niet bij de les gehouden, zoals wel was afgesproken.

Door de verschillen in de mate waarin de overheidsfinanciën uit het lood raakten, liepen de renteverschillen tussen de landen in het eurogebied sterk op. Er werd niet langer voldaan aan een andere spelregel van het hebben van een gezamenlijke munt: beperkte renteverschillen.

Ook bracht de crisis aan het licht dat na de invoering van de euro de concurrentieposities van landen in het eurogebied te ver uit elkaar zijn gaan lopen. Deze posities mogen over een langere periode niet te sterk divergeren. Ook die regel is na de invoering van de euro noch nageleefd noch gehandhaafd.

De ECB is nu in een onhoudbare situatie terechtgekomen: aan de voorwaarden voor het voeren van een monetair beleid voor het eurogebied wordt niet langer voldaan. Dat is een gezamenlijk probleem en een probleem voor elk van de afzonderlijke landen.

Hetzelfde geldt uiteraard voor de ontstane financiële instabiliteit en voor de schending van de spelregels. Handhaving van die regels is een gemeenschappelijk Europees belang, waarvoor afspraken gelden.

Maar deze werken onvoldoende. In Noord-Europa ziet men de crisis als een probleem van de zuidelijke periferie en is er onvoldoende politiek draagvlak voor een gezamenlijke aanpak. In die periferie is er niet altijd voldoende aanpassingsbereidheid. Gezamenlijk te laat en te weinig doen om de crisis onder controle te krijgen is daarvan het gevolg. Daardoor wordt steeds meer betwijfeld of landen bereid zijn om de gevolgen te aanvaarden van het hebben van een gezamenlijke munt, of landen de euro wel willen houden en wat men daarvoor over heeft.

Dat is de kern van de voortwoekerende crisis: een politieke. Ze is alleen op te lossen met een brede, gezamenlijke aanpak waarin niet alleen woorden, maar vooral daden laten zien dat de bereidheid er is om kosten te maken, ingrijpende maatregelen en zekere risico’s te nemen. Hierdoor wordt getoond dat de landen van het eurogebied zich gebonden voelen aan de euro.

Lex Hoogduin is hoogleraar Monetaire economie aan de Universiteit van Amsterdam en Duisenberg School of Finance. Hij was ook directeur bij DNB