De Bovenbazen (64)

De heer Steenbreek trok echter genietend aan zijn bolknak en staarde een wolkje na.

‘Geef zijn adres maar even,’ vervolgde hij, ‘dan zal ik er voor zorgen dat hij geruisloos verdwijnt. U zult er niets van merken.’

‘M-moet dat nu?’ vroeg heer Bommel verscheurd. ‘Ik geloof niet dat ik…’ Hij zweeg en omklemde zijn rookgerei met een bevende vuist.

‘Nee,’ hernam hij. ‘Ik bedoel; wat gebeurt er wanneer ik het adres niet geef, als u begrijpt wat ik bedoel?’

Er verscheeen een ongelovige uitdrukking op het gelaat van de secretaris en het was merkbaar dat hij verkilde.

‘Dat kunt u niet menen,’ sprak hij. ‘Natuurlijk geeft u het aan mij! Als u het niet doet vervalt uw eigen Energie Syndicaat tot brandhout. Het hele bovenbaas-wezen zou op losse schroeven komen te staan en de minvermogenden zouden uit de hand lopen!’

‘Ja, ja,’ mompelde heer Ollie. ‘Maar toch…’

‘Ik ben blij dat de heer Steinh… eh aws u niet hoort,’ vervolgde de ander met verheffing van stem. ‘Uw woorden klinken opstandig! En het kapitaal van een opstandige wordt onmiddellijk geïsoleerd. Op zijn best zou u het maanproject krijgen!’

Hij huiverde en ook heer Bommel voelde een rilling over de rug lopen.

‘H-het was maar een g-grapje,’ zei hij, bang te moede. ‘Ik zal eh… ik zal het adres even opzoeken. Morgen bedoel ik; ik ga nu eerst even slapen. Deze dag is een beetje te veel voor mijn teer gestel geweest.’