Wil je misschien een hapje?

Stel: je bent met een paar mensen uit eten. Iemand heeft het aangedurfd om de grote parasolzwam te bestellen, en als die eenmaal op tafel staat, weet je het zeker: je wilt het proberen. Terwijl je verlekkerd naar andermans bord blijft staren, wordt er uiteindelijk (zuchtend) aan je gevraagd: „Wil je misschien een hapje?” Dat

Stel: je bent met een paar mensen uit eten. Iemand heeft het aangedurfd om de grote parasolzwam te bestellen, en als die eenmaal op tafel staat, weet je het zeker: je wilt het proberen. Terwijl je verlekkerd naar andermans bord blijft staren, wordt er uiteindelijk (zuchtend) aan je gevraagd: „Wil je misschien een hapje?” Dat wil je bijzonder graag, maar het is altijd maar weer afwachten hoe dit hapje geserveerd zal worden:

Het ontvangen van een aangeboden hapje eten heb ik altijd lastig gevonden

Manier 1:

Diegene snijdt zelf een stukje af en plaatst dit voorzichtig op jouw bord. Dit is een prettige, zakelijke manier om elkaars eten te proeven.

Manier 2:

Diegene nodigt je uit om zelf een stukje af te snijden. Al iets intiemer, omdat jouw mes en vork toch zomaar op het bord van een ander banjeren.

Manier 3:

En dit kan ook gebeuren: diegene begint geestdriftig een afgepast hapje op zijn of haar eigen vork te componeren, compleet met een klein stronkje broccoli en wat amandelschaafsel, waarna het geheel even zorgvuldig door de saus wordt geveegd. Dit is ontzettend lief – én heel ongemakkelijk.

Het dankbaar ontvangen van een aangeboden hapje eten heb ik altijd lastig gevonden. Ik weet dat het liefde is, liefde op een vorkje, maar het is ergens toch een soort gustatorische aanranding: je krijgt zomaar iets naar binnen geschoven, zonder dat je weet wat het precies is. Als zo’n kampspelletje waarbij je geblinddoekt een kleverige lepel pindakaas (het is altijd pindakaas) moet proeven. Charmant is zo’n aangeboden hapje ook nooit: de tanden van de vork ketsen onhandig tegen je glazuur en meestal wordt er zo’n enthousiaste hoeveelheid gepresenteerd dat je opeens heel lang met volle mond moet kauwen, of dat er een heel klein beetje hapje langs je mondhoek sijpelt – in de wereld der romantische etentjes staat dat min of meer gelijk aan beginnen over huidkleurig corrigerend ondergoed.

En het is eigenlijk ook vreemd dat we elkaar voeren zo associëren met kaarsverlichte Valentijnsdagdiners. Iemand een hapje geven, heeft alles te maken met zorgen en onderdanigheid. In werkelijkheid doet het vooral denken aan: verlamd zijn en voor de rest van je leven geduldig gevoerd moeten worden, of vogels die kokhalzend hun eten uitstorten in de gretige snaveltjes van hun kroost, of feeders: mensen die hun partner expres vetmesten („and finally, monsieur, a wafer-thin mint.”). Ook dat zijn vast allemaal vormen van liefde, maar gewoon niet bepaald romantische, wat mij betreft. Of smakelijke.

Toch zal ik altijd een aangeboden hapje aannemen. Een uitgestoken, in de lucht bungelend, goedbedoelend stuk bestek met daarop een door de aanbieder zorgvuldig samengesteld hapje is immers liefde. Pure liefde op een vorkje – en dat kijk je nou eenmaal niet in de bek.