Nijlganzen kolonisatie

De nijlgans (Alopochen aegyptiaca) is een broedvogel van Afrika bezuiden de Sahara en van de Nijlvallei. In Engeland hield men de watervogel al in de zeventiende eeuw in gevangenschap en vanaf 1850 is er sprake van een vrijlevende populatie van ontsnapte exemplaren. Nederland is het Europese nijlganzenbolwerk. Hier broedt de exoot sinds 1967 in het wild (één paar in Scheveningen, vermoedelijk afkomstig uit Engeland) en rond de laatste eeuwwisseling telde de populatie ongeveer 5.000 broedparen. Nu moeten het er veel meer zijn. Nergens anders buiten Afrika is de soort zo talrijk. Uit onderzoek waarbij nijlganzen individueel herkenbaar werden gemaakt met kleurringen, bleek dat jonge ganzen tot een kleine honderd kilometer kunnen uitwaaieren op zoek naar nieuwe broedplekken. Zo wordt Duitsland langzaam door nijlganzen uit Nederland gekoloniseerd.

Het succes van de nijlgans in Nederland hangt vermoedelijk samen met het extreem lange broedseizoen, dat van januari (soms december) tot in oktober kan duren. Geen inheemse watervogel doet hem dat na. Hierin zien we de oorsprong van de soort terug: in Afrika broeden ze het jaar rond, wanneer de omstandigheden gunstig zijn. Ook de flexibele keuze van hun leefgebied en nestplaats helpt. Ze zijn zowel thuis in de stad als in het buitengebied, en broeden in de duinen, in polders, langs rivieren, sloten en plassen, en in het bos – mits er water in de buurt is. Nestelen doen ze op de grond, in struiken, boomholten, op gebouwen en hoog in bomen in oude (kraaien)nesten. Ze deinzen er zelfs niet voor terug bewoonde horsten van buizerd en havik te kraken.

Het nijlganzenpaar dat in een oud kraaiennest in het Museumpark nabij het Natuurhistorisch Museum broedt, liep in januari met negen pas uitgekomen kuikens op het ijs. Van dat broedsel was het succes uiteindelijk nul, maar de tweede leg verliep voorspoedig. De twaalf (!) jongen bleven allemaal in leven. Ze zijn nu moddervet en bijna vliegvlug. Streng bewaakt door hun ouders – zelfs mij dulden ze niet in de buurt – grazen ze de hele dag de grasveldjes van het Museumpark af. Rusten doen ze ook, steevast op het enige tijdelijke zandstrandje dat in de omgeving te vinden is, onder het raam van mijn kantoor. Het lijkt erop dat ze zich daar langs de Nijl wanen.