Het Ruhrgebied: industrie tussen de groene bossen

Het Ruhrgebied? Daar rijd je doorheen als je op vakantie gaat. Zo snel mogelijk, want het is er spuuglelijk. Staal, beton, snelwegen. Grijs, grauw, somber, sjofel. Je krijgt nog ruzie met je reisgenoten ook, onderweg naar een gezelliger buitenland, want het wegennetwerk is er onnavolgbaar.

Stop.

Wie het Ruhrgebied bezoekt, maar dan ook écht bezoekt werpt elk vooroordeel direct de prullenbak in. Behalve dan misschien die over het onnavolgbare wegennetwerk.

Het Ruhrgebied is industriecultuur.

Een voormalig gasreservoir, zo groot dat de Utrechtse Domtoren er probleemloos in past, werd een museum. In die ‘Gasometer’ is nu de tentoonstelling Magische Orte te zien, over de wonderen van natuur en cultuur. In het midden staat een gigantische sculptuur van een boom (40 meter hoog). Stap je in de glazen lift, die je tot op het dak van het gebouw brengt, dan voel je je als Abeltje die met een druk op de verkeerde knop in zijn lift een groot warenhuis uitvliegt. Eerst stijg je voorbij de boom, dan kijk je neer op zijn kruin, hoger en hoger tot je de glazen koepel van de nok bereikt. Bovenop de Gasometer kijk je uit over het Ruhrgebied. Het wonderlijke gevoel dat je je in een gecultiveerde gasopslag bevindt, maakt dat je het uitzicht over snelwegen, hoogovens en bomen (bijna 70 procent bestaat uit landbouwgrond en bossen) al een stuk welwillender tot je neemt dan toen je nog dacht dat het Ruhrgebied niets meer was dan een verzameling staal, voorstadachtige plaatsen en ongezonde lucht.

Het Landschaftspark Duisburg-Nord werd gebouwd in 1902, kapotgeschoten tijdens de Tweede Wereldoorlog en weer opgebouwd in de jaren vijftig. In 1985 waren de hoogovens in dit complex te klein geworden om nog rendabel te zijn. In 1991 maakte landschapsarchitect Peter Latz er een park van. Zijn missie: het industriële verleden begrijpen en omarmen, het niet meer verwerpen.

Zijn missie slaagde.

Overdag kun je hier wandelen, sporten, bunkerwanden beklimmen, duiken in een gashouder. Maar de eerste keer dat je er komt, moet het donker zijn.

Op een vrijdag- of zaterdagavond, zo rond 22.00 uur, loop je het Landschaftspark in. Onmiddellijk val je stil. Natuur en industrie zijn er één. Het groen van de bomen, struiken, planten gaan er naadloos over in de roestkleur van de stalen hoogovens, buizen, stellages. Een lichtinstallatie van de Britse kunstenaar Jonathan Park maakt met talloze gekleurde lampen, schijnwerpers, spots en gasontladingslampen het vreemde sprookje compleet.

Via stalen trappen, steigers en doorgangetjes beklim je een van de hoogovens. Her en der lopen medebezoekers rond, stil, of zachtjes fluisterend, vaak met professionele fotoapparatuur in de hand. Ooit werd hier gewerkt. Bovenop de hoogoven – een meter of 70 hoog – is er het uitzicht over het park, Duisburg, het Ruhrgebied, de Niederrhein. De schemer gaat over in duisternis, de lichtinstallatie komt steeds beter tot zijn recht. Het enige geluid is het geruis van de snelwegen, ver weg.

Wat doe je bovenop die toren? Staren. Je vergapen aan de kleurvlakken die over de stalen bouwwerken schijnen, aan alle kanten, waar je ook kijkt. De zon zien ondergaan. De bomen zwarter zien kleuren. Het staal dreigender zien worden. Een Duits biertje opentrekken. Je afvragen of je de weg terug uit die duistere hoogoven kunt vinden.

Maar die vind je, want een pad van kleur leidt je naar de tentoonstelling Kunst.WERK 2012. De kunstenares Regina Bartholme presenteert er in de voormalige Möllerbunker Flauna – eine Besiedelung. Ook hier is het verhaal weer: groen, beton en ruimte. Een blauw verlicht pad door het betonnen kolenruim over het water, een zachte opera op de achtergrond. Vreemde versieringen. Ernaast een rood verlichte gang.

Het enig andere passende geluid in dit sprookjesachtige industriepark, behalve het ruisen van de snelweg en de zachte opera in de gekleurde bunkergangen van Bartholme, was de muziek van Rammstein geweest.

Alle warten auf das Licht / Fürchtet euch fürchtet euch nicht / Die Sonne scheint mir aus den Augen / Sie wird heute Nacht nicht untergehen / Und die Welt zählt laut bis zehn.