Dick Fosbury is net als zijn flop: dwars en afwijkend

De wereld adopteerde zijn sprong, maar voor Dick Fosbury gaat het nog niet hoog genoeg. Hij hoopt de 2.50 meter mee te maken. „De sport moet opschieten.”

Dick Fosbury met zijn primeur op de Spelen van Mexico in 1968. Dankzij een ruggelingse sprong over 2.24 meter won hij de gouden medaille. Foto Corbis

Zijn postuur zegt genoeg. Dick Fosbury oogt nog steeds als een hoogspringer, ook al is hij 65 jaar. De revolutionair zonder ideologie. De Amerikaan introduceerde in de jaren zestig de techniek om ruggelings te springen. De hoogspringer won er in 1968 in Mexcio-Stad olympisch goud mee. En nog altijd is de Fosburyflop standaard. Fosbury heeft er geen cent aan verdiend – zegt hij. Maar trots is hij wel.

Fosbury zegt ook nooit op geld te uitgeweest, nadat hij in Londen een paneldiscussie met oud-sprinter Maurice Greene, voormalig tienkamper Daley Thompson, gewezen hordeloper Edwin Moses en langeafstandsloper Haile Gebrselassie zijn licht over de hedendaagse atletiek had laten schijnen. „Maar door mijn naam kwam ik op veel plekken in de wereld. En daar heb ik dankbaar gebruik van gemaakt. Andere culturen leren kennen vind ik zeker zo waardevol.”

Zijn beleving is niet veranderd, 44 jaar nadat Fosbury de wereld verbaasde met zijn onorthodoxe stijl. Hij vertelde daags voor de openingsceremonie van de Spelen in Mexico-Stad met een ploeggenoot naar de piramide van Teotihuacan te zijn gegaan om er met de Mexicanen de aankomst van de olympische vlam te vieren. „Na een nacht feesten belandden we bij terugkomst in Mexico-Stad in een ongelooflijke verkeerschaos, waardoor we te laat waren voor de opening. Maar ik ben nog steeds blij destijds dat bijzondere gevoel met de Mexicanen te hebben gedeeld.”

Dat dwarse, wat afwijkende gedrag typeert Fosbury. Hij dankt er ook zijn flop aan. De techniek die hij als elfjarige jongen toevallig leerde. „Bij schoolwedstrijden sprong ik min of meer per ongeluk ruggelings. Waarom? Ik zou het niet weten. Vanaf mijn zestiende heb ik de techniek verder verbeterd. Omdat het me goed afging. Er gaat een verhaal dat ik de flop niet zelf heb bedacht, maar wel heb ontwikkeld. Dat is pertinent niet waar. Het is mijn idee en het heeft me twee jaar gekost de techniek onder de knie te krijgen. Er scheen in Montana een hoogspringer te zijn die ook ruggelings sprong. Maar dat hoorde ik pas later. Ik heb hem nooit zien springen. Hij is trouwens ook nooit echt goed geworden.”

Origineel die afwijkende techniek, maar Fosbury’s trainer Berny Wagner vond het destijds maar niks. Hij hing de zogeheten straddle-techniek aan, wat inhield dat de atleet voorover over de lat springt. „Wat ik deed vond Wagner raar en gevaarlijk. Maar ik hield er aan vast. Waarna we afspraken dat hij mij de normale techniek zou leren en ik in wedstrijden de flop mocht uitvoeren. Toen mijn resultaten steeds beter werden en ik uiteindelijk het schoolrecord brak zei Wagner op een goed moment: ‘Oké, ik weet niet hoe het werkt, maar ik zie dat het werkt. Laten we doorgaan met de flop’. Dat typeert ook een goede coach, vind ik. Die accepteert dat een atleet ook zelf aan de ontwikkeling van zijn talent bijdraagt.”

Nadat de Verenigde Staten al vertrouwd waren met de Fosburyflop, maakte de wereld tijdens de Spelen in Mexico-Stad kennis met de techniek. Dat was een sensatie. Er verscheen plotseling een lange, blonde Amerikaanse atleet die sprong op een manier die nooit vertoond was. En hij won er met een hoogte van 2,24 meter nog goud mee ook. Een nieuwe held was geboren.

Na zijn olympische titel verscheen Fosbury in alle Amerikaanse televisieshows. Hij was te gast bij Johnny Carson en Bill Cosby. En hij kwam in contact met de Amerikaanse jetset. Fosbury danste met de inmiddels overleden zangeres Janis Joplin, was close met de filmster Dustin Hoffman of vierde feest met kunstenaar Andy Warhol en zijn entourage van Velvet Underground. „Het was een geweldige tijd, waar ik volop van heb genoten”, zegt Fosbury met een twinkeling in zijn ogen. „Ik kan met recht zeggen dat de Olympische Spelen mijn leven hebben veranderd.”

Op de atletiekbaan volgde na de verwondering de wereldwijde acceptatie. Nadere studie van de techniek leerde veel hoogspringers en hun trainers al snel dat de Fosburyflop efficiënter was dan de traditionele technieken. Het heeft enige jaren geduurd, maar intussen is de ruggelingse sprong de standaardtechniek van het hoogspringen geworden.

Tijdens de Olympische Spelen van Moskou in 1980 waren al dertien van de zestien finalisten in Fosbury's voetsporen getreden. En vier jaar later in Los Angeles waren alle hoogspringers overstag. Tot verbazing van Fosbury, die tegenwoordig wereldwijd clinics geeft. „Ik had nooit verwacht dat de flop zo’n grote impact zou hebben.”

Hoewel de techniek van de Fosburyflop inmiddels sterk is ontwikkeld – „moet je zien hoe hoekig ik sprong; tegenwoordig springen de atleten aanzienlijk soepeler” – valt de bereikte hoogte grondlegger Fosbury nog altijd een beetje tegen. „Ik heb ooit gezegd dat ik tijdens mijn leven nog meemaak dat over 2,50 meter wordt gesprongen. Nu staat het wereldrecord van de Cubaan Javier Sotomayor op 2,45 meter. Ik leef nog, maar de hoogspringers moeten wel opschieten.”