De stad vergroent, dankzij de stadsbewoners zelf

Zet vijftienhonderd mensen in een stadsbuurt bij elkaar en ze maken hun eigen dorp, met volop groen. En flora trekt fauna aan. Kester Freriks maakte een natuurwandeling met de stadsecoloog van Amsterdam. ‘Stadsbewoners scheppen hun eigen micro-biotoop.’

Nauwelijks zijn we onderweg voor een natuurwandeling in Amsterdam Oud-West, of stadsecoloog Remco Daalder wijst naar boven: „Kijk, twee ooievaars. Ze worden achternagezeten door zwarte kraaien.”

Een natuurwandeling in hartje Amsterdam. Vossen waarnemen binnen de stadsgrenzen. Zeldzame varens bestuderen in de brokkelige stenen van een kade. De baltsroep van de rugstreeppad horen alsof we in het tropische regenwoud zijn. Maar het gaat bioloog Daalder niet alleen om ijsvogels, haviken, ringslangen of padden. Ook kantoormensen die het stadse groen opzoeken, vormen onderdeel van zijn professionele belangstelling.

In zijn onlangs verschenen wandelgids Natuurlijk Amsterdam roemt Daalder de biodiversiteit van de stad met zijn 150 verschillende soorten broedvogels, 1.000 soorten paddenstoelen en vele tientallen vissensoorten. Hij schrijft: „Bos, parken, moeras, rietland, volkstuinen en veenweide komen hier allemaal voor. (-) En dan hebben we ook nog het kunstmatige gebergte, gevormd door de huizen van de stad, waar dieren leven die van oorsprong klif- of rotsbewoner zijn.”

Kortom: Amsterdam is de ultieme bestemming voor natuurvorsers en -liefhebbers. Vergeet de Veluwe, in de stadsnatuur wemelt het van de dieren. Op een zonnige dag gaan we op pad: te beginnen in Oud-West, door het paradijselijke terrein van het Wilhelmina Gasthuis, vervolgens door het Vondelpark naar stadswijk De Baarsjes met de Schinkelkade, een stuk langs het water en terug via Oud-Zuid. Geen planten-, mens- of diersoort ontsnapt aan onze waarneming.

Met deze wandelroutes wil Daalder laten zien dat de natuur in de stad door mensen zelf wordt gemaakt. Zoals hij loopt, atletisch, heeft hij iets van een natuurpionier. Hij is alert op alles wat vliegt en beweegt. „Mijn dag begon goed”, zegt hij. „Ik woon in Noord, binnen de Ring. Een nachtegaal was snoeihard aan het zingen.”

Hij wil stadsbewoners leren kijken naar de natuur. „Wie op straat loopt, kijkt altijd recht vooruit: naar het verkeer, voetgangers. Maar kijk ook eens naar boven, naar de gierzwaluwen. Of naar beneden, naar de geveltuinen die ontstaan tussen stoeptegels en bakstenen van huizen.”

Groen geplamuurde gevels

In Amsterdam Oud-West woont de blanke, beter opgeleide middenklasse. „Dat zie je aan het groen. Vroeger wachtten mensen op de gemeente om groenvoorziening te krijgen. Nu maken ze die zelf. Ze plamuren hun gevels met groen. Mensen wonen feitelijk nog altijd graag in dorpen. Zodra het inwoneraantal boven de 1.500 is gekomen, vormen zich in een stad kleinere kernen. In die dorpen creëren mensen hun eigen tuinen. De stad vergroent. Dankzij de bewoners. Allochtonen in Nieuw-West doen ook mee, op hun manier. Zij leggen vooral groentetuinen aan.”

Als stadsecoloog kijkt Daalder hoe de mens in een stad met de natuur samenleeft: op terrassen, langs geveltuinen, in daktuinen, op groenstroken. „Ik zou een stad zo willen inrichten dat de mens niet meer naar buiten wil maar in de stad zijn groene vervulling vindt. Dat zie ik als een van mijn taken.”

Daalder is een optimist. Maar vernietiging van de natuur is in Nederland toch aan de orde van de dag? „Mijn voorganger Martin Melchers reed rond met salamanders, kikkers en ringslangen in zijn fietstas en hij zei: ‘Ik vorm de ecologische infrastructuur.’ Hij gaf daarmee het perfecte voorbeeld”, antwoordt Daalder. „Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig in Amsterdam. In diverse wijken, ook in West waar we nu zijn, was het toen een spookachtige bedoening. Leegstand, dichtgetimmerde huizen, verpaupering. Ik ging mede biologie studeren om daarin verandering te brengen. Uit groen idealisme. Als de gemeente wat struikgewas aanlegde, was het saai en monotoon, want het onderhoud mocht geen geld kosten.”

Tussen stad en natuur bestond destijds een tegenstelling. „Biologen zagen de mens als de vijand van de natuur. Als je echt in het groen wilde zijn, ging je naar buiten of je ging buiten wonen, in Almere of zo. Die gedachte bleek een doodlopende weg. Juist in de stad moet je groen creëren. Vroeger dacht men over de stad als een noodzakelijk kwaad. Als je kinderen had, moest je snel de stad uit. Dat idee bestaat niet meer. Stadsbewoners scheppen nu hun eigen micro-biotoop, en daar horen de coffeeshops met groene terrasomheiningen evengoed bij als de bomen op de Overtoom. Om het behoud van die bomen hebben de bewoners gevochten. Ook dat is een nieuwe trend. Wonen in de stad is niet langer een tussenfase, onderweg naar een huis met een grote tuin. Het is de ideale woonplek geworden.”

Hij vertelt over stedenbouwkundigen als J.P. Berlage en C. van Eesteren. In de jaren dertig formuleerden zij het idee van de stad als een geheel van „lobben en scheggen”. Dit betekent dat de stad niet bolvormig uitbreidt, maar dat er vingervormig wordt uitgebouwd met behoud van groen tussen de wijken. Dat zijn de lobben. De scheggen zijn de groenstroken die diep de stad in snijden. Daardoor zijn de groene buitengebieden snel voor iedereen bereikbaar. Vanaf de bomenrijke grachten loop je via het Vondelpark en langs de Schinkelkade zo naar het Amsterdamse Bos.

„In Amsterdam Zuid heeft Berlage bewust met groen gebouwd. Bomen, onder meer Italiaanse populieren en iepen, behoorden tot zijn stedenbouwkundig plan. Amsterdam is de iepenhoofdstad van de wereld. Er staan hier 75.000 iepen. De gemeente heeft ingezien dat groen een bepalende vestigingsfactor is. Groen is goud waard: dit revolutionaire besef is ook bij de gemeente doorgedrongen.”

Daalder wijst op een mondiale trend. „Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in de stad. De stad is het snelst groeiende landschap ter wereld. Onlangs woonde ik een symposium bij met als onderwerp dat ‘steden de wereld moeten redden’. Dat impliceert een verandering in het denken over de stad en de stadse omgeving.”

Als ecoloog was Daalder betrokken bij de aanleg van IJburg. Dat ligt tegen het natuurbeschermingsgebied van het IJmeer aan. Het uitgangspunt was niet dat IJburg een vijandelijk stuk stad was tegenover dit natuurgebied, maar dat door de aanleg van IJburg de natuur kon worden verbeterd. Dat is gelukt. „We waren erbij”, zegt hij, „toen de eerste zandplaat van IJburg boven water kwam. Binnen de kortste tijd wemelde het daar van de vogels. We groeven poelen en er kwamen salamanders, kikkers en padden. Tegelijk hebben we oeverlanden met riet aangelegd.”

Conservatieve vogels

Veel enthousiasme bij Daalder, maar is er niets waarover hij is teleurgesteld? „Na lang nadenken moet ik zeggen: de gierzwaluwen. We hebben te laat ingezien dat deze prachtige stadsvogel veel broedgelegenheid heeft verloren door nieuwbouw of door het renoveren van huizen waardoor dakpannen en gaten in de gevel zijn verdwenen. Gierzwaluwen zijn conservatieve vogels. Soms duurt het drie of vier jaar voordat ze beseffen dat het vertrouwde nest van vroeger echt weg is. Zelfs het ophangen van nestkasten mag vaak niet baten. We moeten dus daken met broedmogelijkheden maken.”

Daalder bestudeert de natuur altijd in samenhang met de mens. Het Vondelpark, met zijn 10 miljoen bezoekers per jaar, is voor hem een uitgelezen studiegebied. We lopen erdoor. De stadsecoloog wijst om zich heen. „Kijk, mensen liggen in de zon, kantoormensen flaneren. Het Vondelpark is de grootste huwelijksmarkt van de stad. Ook dat hebben we als biologen onderzocht.”

Vroeger was de onderbegroeiing van de bomen in het Vondelpark afwezig. „Alles kaal, uit angst voor enge mannen. Maar enge mannen zitten niet tussen de brandnetels en de stekelige struiken; die staan onder viaducten. Dus nu is de onderbegroeiing weelderig in de stadsparken en daar profiteert iedereen van.”