De Bovenbazen (63)

De heer Steenbreek wist van aanpakken; dat bleek. Hij belde de Stichting tot Dienstverlening voor bovenbazen op – en niet lang daarna bewoog een groepje geoefend personeel zich geruisloos door het pand. In een hoog tempo werd er geveegd, gekookt, gedekt en opgediend, zodat heer Ollie zich om tien minuten over acht reeds aan het hoofd van een welvoorziene tafel bevond. ‘Niet slecht, vindt u wel?’ vroeg de secretaris.

‘N-nee,’ gaf heer Bommel toe. ‘Het is verbazend. Hoewel eh…’

‘Zo ziet u,’ hernam de ander. ‘Er bestaat nog wel eerste klas bediening. Geld speelt natuurlijk een grote rol, want de Stichting tot Dienstverlening kost meer dan het hele Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Maar ja, wat wil men?’

‘Ik weet het niet,’ mompelde de gastheer. ‘Wat wil men eigenlijk?’

‘U komt me wat bedrukt voor,’ vervolgde de heer Steenbreek. ‘Daar is toch geen reden voor, dunkt me. Iedereen staat klaar om u op uw wenken te bedienen.’

‘Ja, ja,’ zei heer Ollie zuchtend. ‘Maar wanneer ik aan vroeger denk… De maaltijden van Joost waren… Ach, wat praat ik? Dat is allemaal voorbij. Er zijn nu andere dingen om aan te denken…’ Hij verviel in een dof stilzwijgen en prikte lusteloos wat in het kostelijk voedsel. Het was een opluchting voor hem toen hij zich na het eten bij de haard kon terugtrekken, doch ook daar kreeg hij geen rust.

‘Ter zake,’ sprak de secretaris. ‘Nu even over het vernietigen van die uitvinder.’ Heer Bommel schrok op. Het koude zweet sloeg hem uit en hij verslikte zich op akelige wijze in zijn sigarenrook.