De boot moet wachten

Meneer Van Straaten was met zijn 87 jaar de beroemdste roeier van de Amstel. Ondanks zijn hoge leeftijd trainde hij meerdere keren per week. Pensioen vond hij flauwekul, dus hield hij nog dagelijks praktijk als zenuwarts. Totdat rampspoed hem trof.

Het waren niet meer zulke rake klappen die meneer Van Straaten uitdeelde, maar als hij langsvoer, hielden wandelaars de pas in en stapten fietsers af. Dat hij op die leeftijd nog roeide! En wat een boot! Het is niet overdreven te stellen dat hij een verschijning op zich was. Als 87-jarige trainde hij nog een paar keer per week.

Zijn tenue bestond uit een wit hemd met daaronder een Adidas-broekje dat ooit blauw was geweest. Hij zat er wat ineengedoken bij. Het gebruinde, vrijwel kale hoofd hing voorover. Op zijn neus droeg hij een bril waaraan een koordje was geknoopt tegen mogelijk verlies. En onder hem de overnaadse skiff Flevoland, sinds mensenheugenis zijn metgezel.

Op de vereniging kon hij met onverholen trots over zijn schip spreken: ‘Ligt als een ponton op het water. Zal nooit omslaan. Oerdegelijk.’ De Flevoland stamde uit een bouwjaar van vóór de introductie van polyester, fineerhout en koolstofvezels. Aan boord bevonden zich geen technische snufjes als een tempoklok, snelheidsmeter of GPS. Geen Shimanokliksysteem voor de schoenen. In plaats daarvan een plank met twee hielstukken, leren flappen en een stel veters waar de voeten als in een korset werden vastgesnoerd. Luchtkamers sloten met houten luikjes die aan touwtjes hingen. Koperen nagels hielden de boot bijeen. Het enige wezensvreemde aan dit ambachtelijke schip waren de in- en uitklapbare spiegels. Het was een vinding van de roeier. Aanhoudende nekklachten maakten dat hij het hoofd niet meer goed kon draaien. Het roeien ervoor opgeven of de navigatie aan een stuurman toevertrouwen, waren mogelijkheden die niet bij hem opkwamen. Na montage van de spiegels hervatte hij de trainingen in zijn tempo, volgens zijn koers.

Een ander probleem dat zich met het ouder worden had aangediend, was het in- en uitstappen. Door vernauwde aderen was de kracht uit zijn benen. Sinds een paar jaar liep hij ook nog met krukken. Als hij aanlegde en iemand bereid vond zijn skiff vast te houden, kwam hij op geheel eigen manier uit de boot door zich simpelweg op het vlot te rollen.

Niet iedere clubgenoot wilde hem helpen. Er waren Willem III’ers die het onveilig achtten dat hij op zijn leeftijd, met slecht zicht, alleen de Amstel op ging. Meneer Van Straaten roeide desondanks, onverschrokken en onafgebroken verder, al kon hij op voorzichtige suggesties of goedbedoelde adviezen geprikkeld reageren. ‘Waarom doet U het niet eens wat rustiger aan?’ waagde iemand na het aanmeren eens op te merken. Meneer Van Straaten keek op en zei op afgemeten toon: ‘Uw zaken niet, meneer.’

In het dagelijks leven was meneer Van Straaten medicus. Praktiserend. Waar menig mens na zijn vijfenzestigste de deur van zijn werkvertrek met een zwaai dichtgooit, het werkzame leven opgelucht aan de kapstok hangt en de welverdiende rust verwelkomt, ging hij onverdroten verder. Aan de gevel van zijn benedenwoning in Oud-Zuid prijkte nog steeds het bord:

Dr. J.J. Van Straaten

Zenuwarts

Consult volgens afspraak

Pensioen vond hij flauwekul. ‘Ik barst van de kennis. De mensen hebben mij nodig.’ En daarom hield hij nog spreekuur, kwam op het laboratorium, had een praktijkruimte, bezocht congressen en vergaderingen, behaalde zijn punten en hield de vakliteratuur bij alsof hij er examen in moest afleggen. Op hoge leeftijd had meneer Van Straaten een agenda die niet onderdeed voor die van de jongere collega’s.

Waar de mogelijkheid zich ook maar aandiende, sprak hij over zijn werk. In de weekenden waren er op de roeivereniging vaak vakgenoten aanwezig en dan schoof hij daarbij aan. Werd hem na een poosje gevraagd hoe het ging, dan klonk het ferm: ‘Prima. Volop bezig.’ Blind voor blikken van verstandhouding die toehoorders elkaar toewierpen, verzekerde hij het gezelschap: ‘Verveel me geen seconde.’

Of hij vertelde over de laatste berichten omtrent publicatie van zijn onderzoek uit 1962. Hij had destijds ontdekt waar epilepsieaanvallen ontstaan. Maar zijn ontdekking was tot op heden niet erkend. Ook zijn uitvinding die aanvallen kon voorkomen – een elektrisch apparaatje dat in de hersenpan werd geïmplanteerd, beschreven in zijn Localisation of a subcortical pacemaker for convulsions, was niet met gejuich ontvangen. Zelf weet hij deze gereserveerdheid aan afgunst. Maar, zo liet hij zijn vakbroeders weten, het recente contact met een gezaghebbend tijdschrift stemde hem uiterst hoopvol.

In zijn drukke bestaan was een auto onmisbaar. Hij reed in zijn Volkswagen van roeiclub naar congres. Van congres naar klassiek concert, fysiotherapeut, doktersafspraak, polikliniek, oogarts en soms naar de kinderen en kleinkinderen. Hoewel de auto met de jaren was opgesierd met herinneringen aan innig contact met paaltjes, fietsenrekken, muren, vuilnisbakken, voertuigen en andere obstakels die daar nooit geplaatst hadden mogen worden, bracht de wagen hem waar hij wezen moest. Op de jaarlijkse medische keuring om zijn rijbewijs te verlengen, bereidde hij zich grondig voor. Gewapend met een tas vol afschrijfkaarten waarop zijn roeiuren vermeld stonden, arriveerde hij bij de keuringsarts. Een frons zal op het gezicht boven de witte jas zijn verschenen als de tas op het bureau werd leeggeschud. Zou een man die vrijwel elke dag de druk bevaren Amstel trotseerde geen auto kunnen besturen? Met zijn bijna negentig jaar kreeg hij het weer voor elkaar. Als het aan hem lag, zou het autorijden, werken, roeien, nooit ophouden. Helaas is het zo dat rampspoed er een eigen agenda op na houdt.

Toen het digitale afschrijfsysteem bij de roeivereniging werd ingevoerd en hij voortaan met lege handen op de keuring verscheen, was hij danig in de war. Op het laboratorium gaf een nieuwe leiding hem voorzichtig te verstaan dat zijn werkdrift niet meer op prijs werd gesteld. Toen dat niet het gewenste effect had, werd zwaarder geschut ingezet: zijn naam verdween van het presentiebord, zijn werkkamer werd aan een ander toegewezen en toen de sloten werden vervangen, was er geen nieuwe sleutel voor hem beschikbaar.

En meneer Van Straaten kreeg van het clubbestuur een regelrecht vaarverbod opgelegd. Hij kon er met zijn pet niet bij. ‘Belachelijk. Is toch mijn verantwoordelijkheid, mijn boot. En als ik omsla... dan ga ik maar.’ Maar het was gedaan. De roemrijkste roeier op de Amstel (lid van zijn vereniging sinds 1968) had heel wat water onder zich door zien stromen, maar nu moest de rivier het zonder hem stellen.

Flevoland bleef in de loods.

Autorijden ging niet meer. De Volkswagen raakte in onbruik. In een paar weken tijd sloeg het vuil van de stad erop neer. Roest verscheen in de opgelopen krassen, gras en onkruid groeiden tegen de carrosserie op, lucht verdween uit de banden en remschijven sloegen bruin uit van de hondenpis.

Op de praktijk rinkelde de telefoon nauwelijks meer. Zijn spreekkamer raakte leger en er vielen gaten in zijn agenda. En, je kon erop wachten, zijn gezondheid ging achteruit. De oude arts kreeg te kampen met kwalen en ziektes die zelfs hij niet onder het tapijt kon schuiven. Al kon het daags na een ingrijpende operatie – zijn nier en urineleider waren verwijderd door kanker – vertellen: ‘Hele zaakje eruit gehaald’, alsof loodgieters in zijn huis een leiding hadden verlegd.

Hij moest zijn woning verlaten en verhuisde naar een verzorgingshuis. Als hij zich goed genoeg voelde, liet hij zich naar de roeiclub rijden. Dan zat hij hele dagen op het terras met een stapel kranten, post en medische lectuur om hem heen uitgespreid. Als een clubgenoot naar zijn toestand informeerde, liet hij weten: ‘De boot moet wachten. Kwestie van een paar dagen en ik ben weer de oude.’ Maar de gang naar de club maken, viel hem steeds moeilijker. Weken, soms maanden, gingen voorbij voor hij weer werd gesignaleerd. Op het bord met huishoudelijke mededelingen, geboorte- en rouwkaarten, liet hij zich echter nog niet vastprikken. De kans dat hij weer zou opduiken, moest niet geheel worden uitgesloten.

En zo kon het gebeuren dat op een decemberochtend van het afgelopen jaar er beneden in het clubgebouw gerommel te horen was. De buitendeur toonde zich weigerachtig. Er klonk wat gemopper en gevloek en daarna: jachtig getik. Aan de bar werden oren gespitst. Het tikken zwol aan in de klankkast die het trappenhuis is. Het zal toch niet, zei iemand. Het was zijn geluid. Dit waren zijn extra paar benen, zijn loopkrukken! En jawel, meneer Van Straaten was in aantocht! De een slaakte een diepe zucht, een ander vertoonde een glimlach, maar eenmaal boven werd de deur hoffelijk voor hem opengehouden en stapte hij gekleed in een bruine parka waarvan het bovenste knoopje er verweesd bij hing, de sociëteit binnen. Hij droeg een linnen tasje om zijn nek met paperassen, sportschoenen aan de voeten. Men bracht hem een stoel, hij kreeg koffie en taart en hij sprak weer met roeiers, met collega’s. Op het terras genoot hij stilletjes van de zon, voor het laatst. Hij overleed enige maanden later. In zijn eigen tijd, want sterven dat was immers zijn zaak.

Ferry Wierenga is freelance journalist.