Zielig? De donkere kanten van de vluchteling

Naast onschuldige slachtoffers kunnen vluchtelingen nog drie andere gedaantes aannemen: die van soldaten, ongewenste gasten en diplomatieke instrumenten. En vaak zijn ze alle vier tegelijk.

Maite Vermeulen

Redacteur Conflict & Ontwikkeling

Een stoet mensen op een zandweg. Spullen op het hoofd. Baby’s op de arm. Een vlakte vol grauwe, provisorische tenten. Uitgemergelde kinderen, met ingevallen ogen, achter een hek van prikkeldraad.

Dat is hoe Syrische vluchtelingen eruitzien.

Arm, hongerig, ronduit zielig, met oren vol zand: zo zien vluchtelingen er altijd uit. Tenminste, op Google Afbeeldingen. In kranten. En op het Journaal. Vluchtelingen zijn de ultieme slachtoffers van oorlogen, en de vluchtelingencrisis is de ultieme humanitaire ramp.

Maar dat is niet het hele verhaal.

Want wat deze beelden niet laten zien, is dat oorlog niet alleen vluchtelingen voortbrengt, maar dat vluchtelingen soms ook oorlog voortbrengen. Dat vanuit vluchtelingenkampen oorlogen worden uitgestippeld en legers worden bemand. Dat ze lokale onlusten kunnen aanwakkeren, waardoor er nog meer vluchtelingenstromen ontstaan.

De Verenigde Naties schat het aantal Syrische vluchtelingen in Turkije, Irak, Libanon en Jordanië al op ruim 150.000. De grensgebieden vormen een nieuw crisiscentrum, na een jaar waarin er wereldwijd maar liefst 800.000 nieuwe vluchtelingen zijn bijgekomen. Al tien jaar waren dat er niet zo veel.

Een goed moment dus om even afstand te nemen van het eenzijdige beeld van de slachtoffervluchteling en te kijken naar de andere kant van vluchtelingenproblematiek.

Dat dit een complex en verwarrend beeld oplevert, is vervelend. Het is geruststellend om aan te nemen dat er slachtoffers en daders in een conflict zijn. Of dat mensen die vluchten voor oorlog een homogene, apolitieke groep zijn. Of dat vluchtelingen de laagste levensstandaard ter wereld hebben.

Maar vluchtelingencrises zijn veel complexer dan dat. Sommige vluchtelingen gebruiken humanitaire hulp om wapens te kopen. In sommige vluchtelingenkampen wonen rivaliserende partijen van een conflict. Soms probeert de bevolking van het gastland zich voor te doen als vluchteling, omdat er in het vluchtelingenkamp een beter leven wacht dan daarbuiten.

Wil dit zeggen dat die angstige kinderogen en die uitgemergelde vingertjes geen hulp moeten krijgen? Natuurlijk niet. Maar het is in het belang van dat kind achter het hek om te begrijpen dat vluchtelingen niet met alleen een paar ton rijst en wat dekens geholpen zijn. Dat de politieke dimensie van een vluchtelingencrisis minstens zo belangrijk is om te erkennen als de humanitaire. En dat dit in het geval van Syrië zo snel mogelijk moet gebeuren.

Naast slachtoffers kunnen vluchtelingen nog drie andere gedaantes aannemen: die van soldaten, ongewenste gasten en diplomatieke instrumenten. En vaak zijn ze het alle vier tegelijk.

Vluchtelingen als soldaten

De definitie van een vluchteling die de Verenigde Naties hanteren is in 1951 vastgelegd in de Convention Relating to the Status of Refugees. Dit document stelt dat gevluchte mensen die wapens opnemen of plannen maken voor agressieve oorlogsvoering uitgesloten worden van vluchtelingenstatus. Hoe deze regel in de praktijk gehandhaafd moet worden, is onduidelijk. Hoe controleer je in een chaotisch tentenkamp of mensen plannen maken om te vechten? Of mensen hun voedselhulp niet delen met soldaten vlak buiten het kamp? Of mensen überhaupt zijn wie ze zeggen dat ze zijn?

Er zijn veel voorbeelden van vluchtelingenkampen die na verloop van tijd veranderd zijn in zogenoemde refugee warrior communities: een deel van de vluchtelingen probeert met geweld het regime in hun thuisland omver te werpen en gebruiken het vluchtelingenkamp als uitvalsbasis, inkomstenbron en rekruteringspoel. Geschat wordt dat dit in ongeveer 15 procent van de vluchtelingencrises gebeurt.

Een goed voorbeeld is de vluchtelingencrisis die volgde op de genocide in Rwanda in 1994. In honderd dagen vermoordden extremistische Hutu’s ongeveer 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s. De eerste stroom vluchtelingen die hierdoor op gang kwam, bestond dus inderdaad uit slachtoffers: Tutsi’s en gematigde Hutu’s die vreesden voor hun leven. Maar honderd dagen na het begin van de slachting wisten de Tutsi’s de macht te grijpen en het moorden te stoppen. Nu ontvluchtten de extremistische Hutu’s – de daders van de genocide – het land, omdat ze vreesden voor wraakacties.

De meesten gingen naar Zaïre (nu de Democratische Republiek Congo). In Zaïre kregen de extremistische Hutu’s volledige controle over de vluchtelingenkampen. De UNHCR probeerde militanten en burgers wel te scheiden, maar slaagde hier niet in. De daders van de genocide konden dus in de kampen op krachten komen, hergroeperen en nieuwe soldaten rekruteren.

Ze creëerden bovendien ‘schaduwvluchtelingen’ – er zouden 1.200.000 vluchtelingen in Zaïre zijn, terwijl dat er in feite ongeveer 850.000 waren – om zo meer humanitaire hulp, en dus meer inkomsten, te ontvangen. Ook ontmoedigden ze de terugkeer van vluchtelingen naar Rwanda door horrorverhalen te verspreiden over martelingen, terwijl het in feite rustig was in Rwanda.

Vanuit de vluchtelingenkampen begonnen de extremistische Hutu’s de lokale Tutsibevolking te vermoorden. Bovendien voerden ze vanuit de veilige kampen aanvallen uit op het nieuwe Tutsiregime in Rwanda. Rwanda zag zich zo genoodzaakt Zaïre binnen te vallen, wat het begin inluidde van de Eerste Congolese Oorlog.

Rwanda is slechts een voorbeeld van vluchtelingenkampen die militante bases worden. Vergelijkbare situaties zijn bijvoorbeeld ontstaan met Palestijnse vluchtelingen in Libanon en Cambodjaanse vluchtelingen in Thailand.

En momenteel beginnen de Syrische vluchtelingen in Turkije verdacht veel op refugee warriors te lijken. Er is al een speciaal kamp ingericht voor gedeserteerde officieren, waarvandaan leiders van het Vrije Syrische Leger hun operaties zouden plannen.

Vluchtelingen als ongewenste gasten

Vaak worden vluchtelingen gastvrij ontvangen door de lokale bevolking van het buurland. Dat kan zijn omdat er een gedeelde vijand is: de Palestijnse vluchtelingen en de Arabische landen zijn verenigd in hun strijd tegen Israël. Maar het kan ook met etnische banden te maken hebben: de bevolking in Oost-Tsjaad en de West-Soedanese regio Darfur behoren bijvoorbeeld tot de etnische Massalit-groep. Toen in 2003 ruim 200.000 vluchtelingen uit Darfur naar Tsjaad trokken, werden ze maandenlang vrijwillig onderhouden door de lokale bevolking voordat hulp het gebied bereikte.

Maar naarmate het aantal vluchtelingen toeneemt, en hun verblijf langduriger wordt, neemt de gastvrijheid van de lokale bevolking rondom de kampen vaak af. De spanningen die opbouwen hebben vrijwel altijd te maken met de verdeling van hulpbronnen.

Rondom het vluchtelingenkamp Bredjing in Tsjaad was het grootste probleem bijvoorbeeld brandhout. Zo’n 43.000 vluchtelingen uit het kamp probeerden hout te vinden in hetzelfde dorre gebied dat zo’n 10.000 lokale inwoners al jaren gebruikten. „Sinds de vluchtelingen er zijn hebben we geen hout meer”, vertelde een Tsjaadse man in 2005 aan het Rode Kruis. „We moeten nu drie, vier uur de bergen inlopen om hout te vinden.”

Ook de internationale hulp aan vluchtelingen kan een bron van wrok zijn. Zeker in Afrika, maar ook in het Midden-Oosten, leeft de bevolking in de afgelegen grensgebieden vaak in de grootste armoede. Juist daar worden vluchtelingenkampen gebouwd, die kunnen rekenen op een constante toevoer van hulp van de internationale gemeenschap. Hoewel wordt geprobeerd de lokale bevolking ook met deze hulp te ondersteunen – bijvoorbeeld door bij de medische posten ook omwonenden te ontvangen – zijn de leefomstandigheden in de kampen vaak beter dan daaromheen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de lokale bevolking zich soms probeert voor te doen als vluchteling, om zo in een kamp een beter leven te leiden.

Dit probleem wordt nog prangender wanneer er hongersnood heerst in een regio. Toen Toearegrebellen begin dit jaar in opstand kwamen in het noorden van Mali vluchtten zo’n 30.000 Malinesen naar Niger. Daar heerste destijds een voedselcrisis, waarvoor weinig hulp beschikbaar was. Voor de vluchtelingen kwam die hulp echter wél snel op gang, wat enorme wrok kweekte onder de lokale bevolking.

Die wrok jegens vluchtelingen mondt soms zelfs uit in onlusten. Zo werd het in Tsjaad in 2004 onrustig toen ongeveer tachtig soldaten president Déby met geweld probeerden te verstoten omdat hij volgens hen de vluchtelingen uit Darfur niet genoeg hielp, terwijl andere gewapende groepen juist vonden dat Déby de vluchtelingen niet moest toelaten in een gebied dat toch al zo arm was. Op deze manier verspreidde het conflict in Darfur zich, samen met de vluchtelingen, naar Tsjaad.

Vluchtelingen als diplomatieke instrumenten

De Syrische vluchtelingen in Turkije: zijn dat rebellen die het regime van president Assad willen ondermijnen of zijn het onschuldige burgers die vrezen voor hun leven? Dat is de centrale vraag die de relatie tussen Turkije en Syrië nu al maanden bepaalt. Het laat zien dat vluchtelingen geen apolitieke migratiestromen zijn: ze kunnen gebruikt worden als diplomatieke instrumenten, bijvoorbeeld om het regime van het thuisland te ondermijnen.

Bijvoorbeeld door militante activiteiten onder vluchtelingen te gedogen of zelfs te steunen. Hiervan zijn tal van voorbeelden te vinden. President Mobutu van Zaïre bewapende in 1996 de extremistische Hutu-vluchtelingen die tegen Rwanda vochten. Toen Eritrea zich wilde afscheiden van Ethiopië liet buurland Soedan de Eritreese rebellenbewegingen op haar grondgebied opereren onder de dekmantel van de vluchtelingenkampen. En de Libanese overheid steunt het gewapend verzet van de Palestijnse vluchtelingen tegen Israël actief. Dat dit gebruik van vluchtelingen geen vrede brengt, maar oorlog verergert, mag duidelijk wezen.

Vluchtelingen kunne ook op symbolische wijze als diplomatieke instrumenten worden gebruikt. Tijdens de Koude Oorlog bijvoorbeeld werden vluchtelingen uit communistische landen door het Westen gezien als een ‘stem voor vrijheid’.Een exodus van vluchtelingen is dan dus slecht voor het imago van een land.

De toegang van media tot vluchtelingen is daardoor een belangrijk politiek middel. Het meest recente voorbeeld hiervan komt uit Turkije: tot januari dit jaar waren de kampen met Syrische vluchtelingen in Turkije niet toegankelijk voor journalisten. Het Turkse ministerie van Buitenlandse Zaken zei te vrezen voor de veiligheid van de vluchtelingen, maar leek vooral bezorgd de ooit warme banden met Damascus onnodig onder druk te zetten.

Sinds februari is die voorzichtigheid weg. Turkije staat nu vooraan in het internationale protest tegen de bloedige onderdrukking van de protesten en roept, gesteund door Golfstaten als Qatar en Saoedi-Arabië, om het aftreden van Assad. Journalisten krijgen nu volledige toegang tot de kampen, in de hoop dat daar een Syrische vluchteling op de gevoelige plaat wordt vastgelegd. En ergens op de voorpagina van een krant terechtkomt.