Moraal is niet de Anti-Economie

Lak hebben aan moraal is lang een van de populairste manieren geweest om jezelf bij anderen geliefd te maken. Weten dat er principes zijn, maar zo hip zijn je er niet aan te houden! Jawel, het leven zou half zo leuk niet zijn zonder de zelfvertederde blik waarmee de westerse mens naar zijn gebrek aan deugdzaamheid kijkt.

Volgens Kurt Tucholsky valt deze laconieke houding ten opzichte van moraal kort samen te vatten: we moeten wel, maar we doen het niet. Der Zustand der gesamten menschlichen Moral läßt sich in zwei Sätzen zusammenfassen: We ought to. But we don’t.

Maar dan breekt het moment aan waarop zelfs de Rabobank het wel moet, maar niet doet. De bank – „van oudsher granieten bastion van betrouwbaarheid” (De Telegraaf) – belazert de boel. Tijd om eens uit te rekenen hoeveel schade het eigenlijk aanricht, die vanzelfsprekende immoraliteit, het wereldwijze idee dat andere belangen nu eenmaal voorrang hebben op normatieve overwegingen. Tijd voor een blik dus op het Ware en het Goede; het is tenslotte zomer, niemand die het merkt, het geeft niet als we per ongeluk iets serieus zouden zeggen.

De twoliner van Tucholsky onderscheidt heel handig twee vormen van moraal. Aan de ene kant het morele gedrag: de vraag of mensen in overeenstemming handelen met geldende normen. Aan de andere kant de moraal in abstracto, het geheel van normen, principes, argumenten, perspectieven en overtuigingen. Een veel voorkomend misverstand ontstaat zodra die twee door elkaar worden gehusseld. Dan leidt het zien van immoreel, normloos en zelfs strafbaar gedrag, Lug und Trug, tot de conclusie dat er überhaupt geen normen in de maatschappij bestaan. ‘Frauderen de banken? Zie je wel, er is geen moraal.’ Dit is natuurlijk onzin, de normen zijn er, ook als allerlei mensen en bedrijven zich er niet aan houden.

Een tweede veelvoorkomend misverstand is dat moraal hoe dan ook een lage prioriteit heeft in het leven. Waarom? Omdat we er geen geld voor hebben. Er moet brood op de plank komen, moraal is een luxe die we ons niet kunnen permitteren. De Brechtiaanse versie van dit argument – erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral – werd door Tucholsky (nu we het toch over hem hebben) in 1930 opnieuw geformuleerd. Alle öffentliche Moral hängt davon ab, ob die Leute satt zu essen haben oder nicht. Als een uitgehongerde bedelaar geld inpikt, schreef Tucholsky, moet je hem niet lastig vallen met zedenpreken.

Nou mag honger een mooi argument zijn tegen hypocriete zedenpreken, maar als reden om moraal op te schorten, slaat het de plank volstrekt mis. Juist de moraal geeft een uitgemergelde bedelaar immers het recht brood te stelen. In Frankrijk besloot ‘de goede rechter’ Magnaud al in 1898 dat de arme mevrouw Ménard een brood had gestolen omdat ze niet anders kon – en dat haar strafbare gedrag dus gerechtvaardigd was. Langzaamaan won ook elders deze gedachte terrein. Toen Brecht en Tucholsky met hun oneliners kwamen, was de jurisprudentie al óm en had de morele discussie ertoe geleid dat honger werd gezien als noodtoestand. Kortom, dat het eten eerst komt, is bij uitstek een morele observatie.

En hetzelfde geldt voor de macro-economische variant van dit oerargument: de bewering dat grote economische belangen in het geding zijn en dat de moraal dus maar even moet wachten. Alsof er een boodschappenbriefje is, waarop eerst bewapening, productie, handel en innovatie staan, en dan eventueel, als er nog geld over is, wat normen en waarden. Ook dit klopt niet. Moraal is geen los item op een lijstje, maar een manier om het lijstje te bekijken, te waarderen, te ordenen. Moraal is een perspectief op het lijstje, een Anschauungsform.

Nu tegenwoordig de moraal zo in de mode komt, in economisch slechte tijden, is de grootste zorg niet dat straks het gelddenken weer de overhand krijgt. De grootste zorg is dat moraal nu naar voren wordt geschoven als een verschijnsel dat niets met geld te maken heeft. „Moraliteit en economie zijn geen vanzelfsprekende partners”, lees ik ergens, maar dat zijn ze nou juist wel. Althans, ze bieden allebei een perspectief op een situatie waarin schaarste heerst en waarin niet alle boodschappen op het lijstje betaald kunnen worden.

De beide perspectieven op het boodschappenlijstje – het economische en het morele perspectief – sluiten elkaar niet uit. De economische blik is deels al moreel gekleurd. Ook economische theorieën draaien immers om mensbeelden, vooronderstellingen en de vraag welke beslissing het best is voor de maatschappij. Zelfs geld is geen waardevrij fenomeen, maar vereist wederzijds vertrouwen.

Andersom is de morele blik niet blind voor economische overwegingen. Voor betaalbaarheid en geld. Morele regels moeten het leven ook in economische zin aangenamer maken; en als een bank besluit de boel moreel te belazeren, levert dat van de weeromstuit vaak grote economische schade op.

Waarom prijst iedereen moraal dan opeens aan als de Anti-Economie? Het klopt niet – en het is gevaarlijk. Zo krijg je de hippe westerse mens nooit zo ver dat hij eindelijk echt doet wat hij moet.