Klimaatpolitiek heeft helemaal geen zin meer. Wat nu in de pijp zit is al fataal

Foto Rick Rindertsma

Om onder de twee graden Celsius opwarming te blijven, een internationaal voornemen, mogen we tot 2050 niet meer dan 565 gigaton CO2 uitstoten. Dat is bedrijven als Shell, Lukoil en Exxon blijkbaar ontgaan, toont milieuactivist Bill McKibben aan. Hun reserves staan garant voor een uitstoot van 2.795 gigaton.

‘De nieuwe angstaanjagende rekensom van ‘s werelds opwarming’, kopt McKibben - door Time uitgeroepen als de beste groene journalist - boven een essay in Rolling Stone. Het leest als een uitgebreide literatuurstudie waarin politieke en industriële beloften smelten als sneeuw voor de zon.

Eigenlijk zou iemand de industrie moeten vertellen dat de fossiele brandstoffen in hun aangekochte gebieden niet meer aangeboord mogen worden. Dat hun voorraad, ter waarde van 27.000 miljard dollar, voor tachtig procent afschreven kan worden. McKibben noemt dit de ‘koolstof bubbel’. Met andere woorden: zouden de afspraken uit 2009 (klimaatconferentie Kopenhagen) nageleefd worden, dan breekt er een financiële crisis aan waar de huidige bij verbleekt.

Drill, baby, drill

Toch hoeft “de schurkenindustrie” niet bang te zijn voor een crisis van dat formaat, weet McKibben. President Obama voert namelijk een drill, baby, drill-politiek. Niet alleen de huidige voorraden mogen op, hij spoort bedrijven ook aan capriolen uit te halen op de Noordpool en in de oceaan. Het blijft dus niet bij die 2.795 gigaton CO2-uitstoot en daarmee is de twee-graden-afspraak een farce. Hoewel Obama zijn verkiezing aanmerkte als “het moment waarop de planeet zich herstelt”, gaf hij de industrie afgelopen maart een vrijbrief: “Je hebt mijn woord, we zullen overal boren waar we kunnen. Die toezegging maak ik.” Eenzelfde hypocrisie ziet McKibben bij buitenlandminister Hillary Clinton. Terwijl ze in Noorwegen een excursie kreeg langs smeltende ijskappen, onderhandelde ze kort daarna over het recht om de olie op te boren die hierdoor toegankelijk wordt.

Dat landen nog niet massaal overgaan op alternatieven, zoals zonne- en windenergie, noemt McKibben geen technisch probleem, maar ‘hebzucht’. Graag zou hij zien dat de milieukosten doorberekend worden aan de consument. Dat zou door de afnemende vraag veel olie-, gas- en kolenreserves waardeloos maken, vermoedt hij. Ook ziet hij wel wat in een mondiale beweging, zoals destijds tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Landen, bedrijven en burgers die massaal de industrie de rug toekeren.

McKibben laat doorschemeren dat dit slechts wensen zijn. Iedereen is namelijk afhankelijk van Shell, Lukoil en Exxon. Stoer om op af te geven, maar die moraal laten we even later varen aan de pomp. Net als met spaarlampen. Die draaien we braaf in het plafond, maar ondertussen schaffen we het ene energieverslindende flatscreen na het andere aan. Zo bezien is president Obama een echte volksvertegenwoordiger: links investeert hij een beetje in duurzame auto’s, rechts geeft hij de industrie toestemming de laatste fossiele brandstoffen uit de aarde te knijpen.

Klimaatverandering is geen onpersoonlijke natuurkracht

We weten hoeveel we nog veilig kunnen verbranden, benadrukt McKibben. “En we weten wie van plan is om nog meer te verbranden. Klimaatverandering voltrekt zich op een geologische schaal en binnen een bepaald tijdsbestek, maar het is geen onpersoonlijke natuurkracht. Des te grondiger je het rekenwerk doet, des te meer je je realiseert dat het in de kern een morele zaak is. We hebben de vijand reeds ontmoet. Die vijand heet Shell.”

Dus toch actie? Maar dat wordt een gevecht tegen onszelf. Het meest treurige is wellicht dat McKibben als invloedrijk milieuactivist eigenlijk geen vertrouwen meer heeft in het oplossend vermogen van de mens. Zijn rekensommen spreken boekdelen: als 565 gigaton CO2 (het volume dat leidt tot twee graden opwarming) fataal is, dan komt het met 2.795 gigaton helemaal niet meer goed.

Met die donkere kijk sluit hij zich aan bij Paul Gilding, voormalig directeur van Greenpeace International. Die betoogt in zijn boek The Great Disruption (Bloomsbury Press, 2011) dat De Grote Gedragsverandering pas komt als we alles verliezen. Als tientallen steden zonder water komen te zitten, miljoenen hun huis kwijtraken door tsunami’s en tornado’s, oorlogen uitbreken om voedsel en we stikken in onze uitlaatgassen, zullen we volgens hem al onze sociale en technische vaardigheden inzetten om een nieuwe wereldorde te creëren. Eén die niet inteert op de voorraadkast van fossiele brandstoffen en natuurlijke bronnen. “Oude industrieën zullen instorten, terwijl nieuwe bedrijven de economie zullen hervormen”, voorspelt Gilding. De grootste vijand van Shell wordt dus niet de consument, maar het milieu. Bill McKibben zegt het zo: “De cijfers maken duidelijk dat het vernielen van de planeet het business model is van de fossiele brandstof-industrie.”

Gelukkig is er nog iemand die voorbij deze ‘het is te laat’-filosofie denkt. In Visit Sunny Chernoby (Rodale Books, 2012) doet de Amerikaanse journalist Andrew Blackwell verslag van zijn reis langst de meest vervuilde plekken op aarde. Zoals een stortplaats in India, een oliestad in Canada en een kolendorp in China. Het idee dat de mens in staat is de aarde te vernietigen ziet hij als hoogmoed. En in natuurbeschermers ziet hij het spiegelbeeld van de egoïstische industrieel: “Zij die denken de natuur te kunnen beheersen.” Het is waar dat we bossen kunnen vernietigen, het klimaat kunnen veranderen en soorten uitroeien, geeft hij toe. “Maar als we eenmaal weg zijn, zal de natuur zich over ons heen zetten. De apocalyps maken we voor onszelf en ons nageslacht, niet voor het leven op aarde.”