Hollands Goud

Dat er elke vier jaar weer Olympische Spelen zijn, is te danken aan de vadsigheid van de Fransen. Het was namelijk de Franse baron Pierre de Coubertin die in 1894 opriep tot de wederopstanding van het sportfestijn omdat hij zich zorgen maakte om de fysieke gesteldheid van zijn landgenoten. Ze hielden zich alleen bezig met geestelijke en godsdienstige principes en hadden zo een gebrek aan fysieke kracht opgelopen waardoor ze 25 jaar daarvoor weer eens van de Pruisen hadden verloren.

Het is een van de vele weetjes in Hollands Goud. Alle Olympische kampioenen (red. Wilfred van Buuren, Meulenhoff, € 19,95). Ideaal boek voor wie van rijtjes en feitjes houdt. Dan weet je dat in 1896 er geen Nederlanders meededen aan de Spelen, en dat Nederland vier jaar later in Parijs 4 keer goud behaalde, om daarna weer geen enkele afvaardiging te sturen en na Londen 1908 thuis te komen met 1 bronzen medaille op 113 Nederlandse deelnemers.

Het eerste succes was voor de roeiers François Brandt en Roelof Klein in 1900. Afgelopen maand werd eindelijk besloten dat hun overwinning mag meetellen in de statistieken van Nederlandse successen – omdat de stuurman Frans was, was het er niet eerder van gekomen. Ze kregen echter een beeldje in plaats van een medaille, dus op de foto van de twee zie je ze niet happen in hun edelmetaal.

Van alle winnaars zijn portretjes of portretten opgenomen. Goed zijn bijvoorbeeld die over wielrenner Maurice Peeters (OS 1920) die ter voorbereiding van zijn wedstrijden graag cognac dronk, het tandemduo Leene en Van Dijk die in 1928 goud wonnen, nadat ze, net als de anderen, binnen 6 seconden lek reden omdat het baanoppervlak te scherp was, en Hennie Kuiper (goud bij de Spelen in 1972) die niet op de kweekschool werd toegelaten omdat hij stotterde.

Misschien ligt het aan het verre verleden, misschien omdat de commercie zich steeds meer met sport ging bemoeien, of omdat sport een beroep werd en een politieke aangelegenheid (voor WO II was sport slechts een keer in de Tweede Kamer ter sprake gekomen – om subsidie voor de Spelen van 1928 te weigeren): maar naarmate de tijd vordert, worden de kampioenen saaier. Er is minder tragiek, sporters zijn vakmannen en alles zit in de voorbereiding. Goed, er staat nog wel dat de lichte damesdubbeltwee (goud met roeien in Peking) zo’n enorme hekel aan elkaar had, maar ook dat wordt meer in platitudes dan tragisch weergegeven.

Hollands Goud toont dat winnen steeds minder spectaculair wordt en dat de winnaars nooit meer tragisch zijn, en ze happen steeds vaker in hun edelmetaal – een van wantrouwen getuigende gewoonte die verboden zou moeten worden.