Het beest in Vos

D e zwarte pijl op haar helm wees naar het midden van haar voorhoofd. Achter de wenkbrauwen was een plekje in de hersenpan waar haar wens al vier jaar opgeborgen lag. Marianne Vos wilde een gouden medaille op de Olympische Spelen.

De wielrenster moest gistermiddag rond en in Londen afrekenen met het imago dat ze op belangrijke momenten vaak tweede werd.

Vos ontsnapte met een paar vrouwen uit het peloton. Ik schrok aanvankelijk van de energie waarmee ze op kop sleurde. Dit kon niet lang goed gaan. Ik zag haar niet eten, nauwelijks drinken. Ze gebruikte maar de helft van haar zadel. Iedere keer weer schoof ze naar voren, in een voortdurende drang zichzelf en de fiets meter voor meter verder te brengen.

Het beest in Vos was losgebroken. Ik hoorde haar leeftijd. 25 jaar. Ik dacht dat ze al 50 jaar in het peloton reed. Ik weet niet beter of de naam Vos klinkt als vanzelf wanneer vrouwen gaan wielrennen.

Op de weg, de baan, in het veld; het is Vos voor, Vos na.

Ik dacht terug aan vorig jaar. We ontmoetten elkaar in een theaterfoyer na een voorstelling. Ik herkende haar eerst niet. Was dat Vos die een avondje uit was? Het bovenlijf was verpakt in een kort, witleren jasje. Dat kon ze dus ook, zich verstoppen.

Mart Smeets haalde een stopwatch uit zijn zak om de voorsprong van de kopgroep te meten. De ouderwetse manier van tijdmeten deed terugdenken aan ‘Kannibaal’ Merckx, de grootste wielrenner aller tijden. Merckx wilde ook altijd op kop rijden, altijd winnen en hij koerste – net als Vos – met een knik in de ellebogen.

Ik smeekte Vos om het niet op een sprint met haar twee medevluchters aan te laten komen. Ze kon ze in de steek laten wanneer ze maar wilde. Tijdens de ontsnapping had Vos de batterij van de twee meisjes leeggetrokken. De twee konden niets meer en hingen als moegestreden voorns aan een vislijn.

Vos brandde van binnen en liet het vuur door niemand meer doven. Ze won overtuigend. Een schreeuw. Een vuist van yes. Tranen in de ogen.

Een paar minuten na de finish stond ze alleen met haar verzorger. Een wit washandje aaide haar gezicht, pulkte vuil uit de ooghoeken. Ik zag nu pas dat haar nagels oranje waren, en ook het tape op haar rug en het elastiekje in haar paardenstaart. Ze wist in de ochtend al dat het haar dag moest worden.

En het werd haar dag.

Het duurde lang voordat de medailles werden uitgereikt. De televisieverslaggevers vielen stil. Het werd rustig in statig Londen. Beelden van lange lanen, nat wegdek. Het deed me – merkwaardig genoeg – denken aan de serene sfeer als er een droeve stoet langskwam op diezelfde plek.

De vlag werd gehesen. Vos zong uit volle borst mee. In 2006 huilde ‘meisje Vos’ als kersverse wereldkampioen veldrijden dikke tranen tijdens het Wilhelmus. In Londen stond een rustige jonge sporter. Ze hoort niet bij de mannen, niet bij de vrouwen. Vos zelf is een categorie geworden.

Onze beste wielrenster ooit verdient na dit goud een eretitel. Zoals Churchill en Paul McCartney ‘sir’ zijn. Of een passende bijnaam. Het vrouwelijk equivalent voor Kannibaal. Ik kan maar op één woord komen: Vos.