Geminachte profeten roepend in de woestijn

J.M. Coetzee en Paul Auster voerden drie jaar lang een literaire briefwisseling. Over sport, politiek en de afnemende kracht bij het ouder worden.

Boekrecensent

Hoe ouder je wordt, hoe ingewikkelder het is vriendschappen aan te knopen. Toch besloten de schrijvers Paul Auster en J.M. Coetzee in 2008 die stap te wagen. Ze hadden elkaar drie jaar eerder ontmoet bij een Beckett-aangelegenheid en kennelijk was er een vonk. Ze besluiten een briefwisseling te beginnen. Op 14 juli komt Coetzee met de eerste brief waarin hij onderzoekt wat vriendschap inhoudt. Na 81 brieven, op 29 augustus 2011, houdt de uitwisseling op. De vraag is natuurlijk: hebben de twee elkaar gevonden en hebben ze onder woorden kunnen brengen wat vriendschap is?

Die laatste vraag is het uitgangspunt in de eerste brief. Coetzee gaat in op het ontstaan van vriendschappen en over het al dan niet in stand houden ervan. Zoals te verwachten valt duikt hij de bibliotheek in voor antwoorden. Om daar te constateren dat vriendschap een ‘beetje raadselachtig’ is, waarna hij met wat citaten van filosofen en schrijvers komt.

Als lezer houd je je hart vast. Blijft dit zo cerebraal en is dit een verpakte manier van how to bluff your way into de intellectuele wereld van Auster en Coetzee of is er meer? Het is Auster die het eerste jaar, waarin er twaalf brieven worden verstuurd, de meeste jeu geeft aan het geheel. Hij is persoonlijker, associeert en durft meer te zeggen zonder dit meteen aan een citaat te koppelen. Maar er echt uitkomen doen ze niet.

Gelukkig pakken ze ook andere onderwerpen bij de kop. Zo komen ze tot de ontdekking dat ze beiden hele middagen voor de tv zitten voor een wedstrijd. Coetzee ziet een voordeel in zijn jetlag na een reis door Europa, omdat hij zo het WK-voetbal live kan volgen. En ook Auster volgt die wedstrijden rechtstreeks, omdat hij – eveneens geplaagd door een jetlag – ’s ochtends te vroeg wakker is. Klein detail: Auster heeft sympathie voor het Nederlandse elftal, ‘die briljante eeuwige tweede’. Het schuldgevoel dat komt kijken bij de hele middag voor de tv zitten, de superieure schoonheid van tennisser Roger Federer, de perfecte honkbalwedstrijd: alles komt aanstekelijk aan bod.

Sport verbroedert, wil het cliché. Politiek kennelijk ook, want ook daar gaan ze uitgebreid op in. Zo stelt Auster voor alle Israëli’s naar Wyoming te evacueren, ook al is Amerika volgens hem op dit moment een treurig land om in te wonen. ‘Wyoming is immens groot en dunbevolkt, en in het belang van de wereldvrede zou de Amerikaanse regering simpelweg alle ranches kunnen opkopen en de bevolking van Wyoming kunnen evacueren naar andere staten in de buurt. Waarom niet? De grootste dreiging voor de mensheid zou daarmee zijn geëlimineerd, Dick Cheney zou dakloos zijn, en binnen de kortste keren zouden de Israëliërs er een welvarend land van hebben gemaakt.’

Ook Coetzee is geestig in zijn analyses van de kredietcrisis: reset alle cijfers en begin opnieuw; vind een nieuwe getallenreeks uit, dan zijn de cijfers die nu het probleem zijn, het probleem niet meer. Simpel, maar ondoenlijk, want zoals hij stelt: ‘Wij, de wereld, maken liever de ellende door van de werkelijkheid die we hebben gecreëerd (de volstrekt kunstmatige werkelijkheid van de crisis) dan dat we een nieuwe, weloverwogen werkelijkheid in elkaar zetten.’

Het in elkaar zetten van die weloverwogen werkelijkheid, daar is het uiteindelijk om te doen. Gaan ze daar op in, dan wordt het interessant. Daarbij gaat het uiteraard, het is niet anders, over kunst. Uiteraard ergeren ze zich aan veel ‘alledaagse romans’, wisselen ze gedachten uit over Beckett, Kafka en Joyce, gaan ze in op verantwoorde films en uiten ze de standaardklacht dat critici elk boek altijd maar weer autobiografisch lezen en te weinig het belang van fictie inzien, et cetera. Dat zal vast, maar het gevaar voor grumpy old men te worden versleten, ligt dan wel om de hoek. Auster begint dan een brief met de aanhef ‘lieve opa’, om ironisch te concluderen: ‘We moeten doorgaan met niet aflatende alertheid, als geminachte profeten die roepen in de woestijn.’

Maar ze gaan verder en dan wordt het echt verrassend. Zo brengen ze bijvoorbeeld de rol van mobieltjes in romans ter sprake. Auster laat zijn personages bewust ermee rondlopen, ook al heeft hij er zelf geen. Coetzee niet. Hij vindt dat romans gebaat zijn bij het achterhouden of toegankelijk maken van informatie voor personages. ‘Als iedereen toegang heeft tot min of meer iedereen – dat wil zeggen, elektronische toegang – wat valt er dan nog aan plots te bedenken?’ En wat zijn de consequenties voor de overspelroman? Hierop heeft Auster een antwoord: het personage kan zijn mobiel uitzetten, hoewel, ‘van de andere kant is het misschien niet zo’n goed idee om bij herhaling telefoontjes van je vrouw niet te beantwoorden, als je tenminste je huwelijk in stand wilt houden’.

Hoogtepunt in de briefwisseling wordt bereikt wanneer de betekenis van het eigen werk ter sprake komt. Coetzee, die in de brieven aimabel, intelligent en behoedzaam is geweest, komt los wanneer Auster hem schrijft over wat je met slechte kritieken aan moet. Ze raken Auster altijd zeer, ook al leest hij ze uit principe niet, maar hij ziet ze soms ineens in de krant staan. Aan Coetzee schrijft hij: ‘Ik vraag me af of de reden van je dikke huid tegenover recensenten misschien ligt in het feit dat je de kost hebt verdiend als docent. Je gelooft in je werk, en dat is het allerbelangrijkste. Je gelooft erin en weet dat het goed is.’

Een logische constatering lijkt het, maar nee, dan blijkt dat Coetzee somberder tegenover zijn eigen werk staat dan Auster, minder overtuigd van de waarde. Coetzee – die uiteraard de recensies ook niet leest – komt met een innemend antwoord waarin hij zich verrassend blootgeeft: ‘Ik geloof niet zo erg in wat ik doe. Om preciezer te zijn, ik geloof er genoeg in om me door het schrijven heen te slaan – ik heb genoeg geloof of genoeg hoop, hoop die blind is of oogkleppen op heeft, dat als ik maar genoeg tijd en aandacht besteed aan het project dat ik onder handen heb, het zal ‘werken’, geen duidelijke mislukking zal worden. Maar daar houdt mijn geloof of hoop op. Ik geloof niet zo erg dat mijn werk de tand des tijds zal doorstaan.’ Dat het geen koketterie is blijkt uit andere overpeinzingen van Coetzee. Zo vraagt hij zich af waarom hij een ‘armzalig’ verslaggever van het leven is. En stelt hij de confronterende vraag: ‘Wat me in het huidige tijdsgewricht interesseert, is de vraag hoe en wanneer het falen van de krachten zich zal aandienen. Je kunt niet eeuwig doorgaan met schrijven; en je wilt niet besluiten met een gênant slecht product van je seniliteit. Hoe ontdek je dat je het gewoon niet meer in je hebt om een onderwerp recht te doen?’

In hun brieven hebben ze de definitie van vriendschap niet gevonden, maar de vriendschap zelf wel. Aangezien hun brieven bewust gekunsteld zijn en ze een hekel hebben aan autobiografisch lezen, is het wellicht dubieus om de brieven te lezen als die van twee maatschappelijk betrokken schrijvers, de een wat humorrijker, de ander eigenzinniger. Maar dat maakt de combinatie tussen de twee juist sterk. En we kunnen dat hier gerust zo stellen: de heren lezen toch geen recensies.

Paul Auster / J.M. Coetzee: Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Vert. Ton Heuvelmans en Peter Bergsma. Cossee / Arbeiderspers, 232 blz. € 21,90