De Bovenbazen

Toen het hefschroefvliegtuig weer op het gazon voor Bommelstein geland was, kon men de energiemagnaat uit het toestel zien dalen.

‘De uitvinder vernietigen,’ prevelde hij toonloos. ‘Ach, wat moet er van mij terechtkomen?’

‘Dat hoef jij niet te doen, jongen!’ riep de oliekoning, die hem volgde. ‘Daar hebben we minvermogenden voor. Ik laat Steenbreek bij je achter en die zal het vuile werk voor je opknappen, nietwaar Steenbreek?’ ‘Zoals u wilt, meneer Steinhacker,’ gaf de secretaris toe.

‘Noem me geen meneer!’ riep de ander woedend. ‘Ik ben je gelijke niet! Nog één misstap en je vliegt eruit!’

Heer Ollie sloeg geen acht op deze terechtwijzing. Hij droeg de futvoeder voorzichtig voor zich uit naar huis en praatte droevig in zichzelf.

‘Hoe moet dat nu?’ prevelde hij. ‘Ik heb Kwetal beloofd dat ik de woestijn zal tegenhouden en in plaats daarvan… Het is allemaal voor mijn bestwil, dat begrijp ik langzamerhand wel. Maar toch – waar gaat het met mij heen?’

Zo klagende had hij de deur geopend om zijn huis te betreden en meteen sloeg een muffe geur hem tegemoet. Overal hingen spinnenwebben en een grauwe stoflaag had zich over de inrichting gelegd.

‘Joost is weg,’ verklaarde heer Bommel verontschuldigend. ‘Het leven is héél moeilijk voor een bovenbaas alleen. Wat moet ik beginnen?’

‘Ah, bah,’ sprak de secretaris, die achter hem binnentrad. ‘U leeft als een minvermogende, obb! Mijn eerste taak zal zijn om u met de gemakken te omringen die bij uw stand passen.’