‘We hebben weinig waardering buikgevoel’ voor ons

Antropologe Annemarie Mol krijgt de Spinozapremie. Bij een kopje thee blijkt hoe complex haar vakgebied is. ‘Wat ik lekker vind, is niet interessant.’

Annemarie Mol: ‘Mensen zouden de frisheid van water weer moeten leren waarderen, de geur en warmte van vers gezette thee.’

Annemarie Mol (53) maakte een grapje toen ze mailde dat lunchen met een wetenschapper hard werken is. Zij doelde op de vier artikelen die ze als bijlage mee stuurde, niet op het gesprek dat zou volgen. De artikelen gaan over hoe demente bejaarden in verzorgingstehuizen eten, over genieten van eten in plaats van controleren hoeveel je eet en over de tragiek van de kilocalorie.

Annemarie Mol is hoogleraar antropologie van het lichaam aan de Universiteit van Amsterdam. Nog nooit gehoord van antropologie van het lichaam? Zo gek is dat niet, want Annemarie Mol heeft haar eigen specialisatie ‘verzonnen’, door alles samen te brengen wat ze ooit studeerde (geneeskunde, filosofie) en interessant vindt (geografie, antropologie, voedingswetenschappen). En blijkbaar doet ze dat goed, want het wetenschapsinstituut KNAW heeft haar net de Spinozapremie toegekend, de hoogste Nederlandse onderscheiding voor ‘voortreffelijk, baanbrekend en inspirerend’ onderzoek van een ‘internationaal vermaarde’ wetenschapper. Ze krijgt 2,5 miljoen euro die ze naar eigen inzicht mag besteden aan onderzoek.

De artikelen die ze stuurde waren goed te begrijpen, ook voor een leek. Ook de plek waar ze wilde lunchen leek onbekommerd. Ze koos Theehuis Rhijnauwen, op een landgoed vlakbij Utrecht met tafeltjes bij het water, twee ezels in de wei en ‘de lekkerste pannenkoeken van het heelal’ (citaat van de website). Ze zit er op een zwerfkei voor de ingang op me te wachten. Slim rond brilletje, handig rugzakje, sportieve wandelschoenen. Ze zegt dat het volgens Buienradar nog even droog blijft hier en ze kiest, lichtjes weifelend, een van de tafeltjes buiten.

Zo lang we het over haar werk hebben, is er geen vuiltje aan de lucht. Ze legt geduldig uit dat er altijd op twee manieren is gekeken naar voedsel. De eerste manier is die van voedingswetenschappers. Zij ontwikkelen hun ideeën over eten vooral in laboratoria. „Het lichaam als een machine. Je stopt er zoveel brandstof in, en hoe lang doe je daar dan mee?” En daarnaast is er de „hyperesthetische verheerlijking van eten”. Dan gaat het over beroemde topkoks en sterrenrestaurants, de beste en exclusiefste ingrediënten, de vindingrijkste gerechten. „Veel sociale wetenschappers laten zich door een van die twee zienswijzen verleiden.”

Annemarie Mol doet iets anders. Zelf noemt ze het een combinatie van filosofie en veldwerk. Of empirische filosofie. En ze lacht me toe alsof ik ook wel doorheb dat dat een oxymoron is, een tegenstrijdigheid, zoiets als zwarte sneeuw. „Maar zo gek is de combinatie niet. De beroemdste twintigste-eeuwse antropoloog Claude Lévi- Strauss had filosofie gestudeerd. Michel Foucault, een filosoof, deed ook historische onderzoek. En Ludwig Wittgenstein was ook een observator.” Filosofen, wil ze maar zeggen, kunnen best inspiratie ontlenen aan de alledaagse werkelijkheid.

Tot nu toe verloopt alles prima.

Maar dan bestelt ze haar eerste kopje thee. En krijg ik een voorproefje van de complexiteit van haar en haar vakgebied. Ik vraag namelijk waarom ze jasmijnthee kiest. Ze denkt diep na en zegt dit: „Ik kan antwoorden: ik vind jasmijnthee lekker. Dat is een persoonlijk antwoord en niet zo interessant. Ik kan een historisch antwoord geven en vertellen over de omstandigheden waaronder deze thee vanuit China een halve eeuw geleden Nederland binnenkwam. Ik kan de sociale context geven van de mensen die destijds zulke thee dronken. Ik kan het hebben over de Chinese restaurants die in de vorige eeuw opkwamen. Of over dit restaurant dat nu vijf theesoorten op de menukaart heeft staan, wat we nu heel gewoon vinden, maar twintig jaar geleden niet. Ik kan het ook verbinden aan de geschiedenis van mijn generatie; studenten uit de jaren zeventig die graag vreemde theeën dronken.”

Ik kies het antwoord waarvan ik denk dat het de meeste informatie over haarzelf zal opleveren. Ze vindt de thee lekker. Ik vraag het voor de zekerheid nog een keer. Ze zegt: „Lekker. Wat is lekker? Misschien vind je thee wel lekker omdat je moeder het altijd voor je zette als je ziek was. Je kreeg er misschien een knuffel bij.” Dus? vraag ik. „Dus is het niet belangrijk wat ik lekker vind. Ik ben als persoon niet interessant.”

Dus alle vragen over uzelf, zeg ik, „...zal ik direct terugkaatsen”, vult zij aan. Niet dat ze het persoonlijke schuwt, zegt ze. „Maar ik gebruik het hooguit als object van onderzoek.” En, als om mij te overtuigen, zegt ze dat ze weleens een artikel schreef over hoe de buitenwereld aankijkt tegen een hoog opgeleide zwangere vrouw. Ze heeft een dochter van 19 en zoon van 17, dat vertelde ze toen we nog niet aan tafel zaten.

Al het andere wat ik van haar weet, is sprokkelwerk. Ze is vegetariër, dat lees ik in haar artikel over de eetpraktijken in een verzorgingstehuis. Ze liep er mee met de verzorgers en constateerde dat eten voor demente bejaarden meer betekent dan alleen het binnenkrijgen van noodzakelijke voedingsstoffen. Eten is ook gezelligheid, het is aandacht en zorg. Of het eten ook lekker is, is geen prioriteit. „Lekker eten is verwennerij, dat hoort bij restaurants, niet bij een verpleeghuis.” Toen ze er een paar dagen had rondgelopen, vroeg de kok of Annemarie Mol zelf het eten eens wilde proeven. Ze deed het niet. „Wie zo lang geen vlees heeft gegeten, kan niet beoordelen of een bal gehakt lekker is of niet”, staat in het artikel. In een voetnoot schrijft ze wat ze graag eet: cashewnoten, pompoen en kikkererwten.

Pannenkoek

Ze heeft de kaart van tevoren al bekeken, zegt ze en ze weet al wat ze wil. Een salade. We zitten in een pannenkoekenrestaurant, zeg ik. „Ik maak elke ochtend een pannenkoek”, zegt ze. Ze heeft een glutenallergie en verdraagt geen tarweproducten, zegt ze, met lichte tegenzin. Glutenvrij eten, is geen keuze. Vleesvrij eten wel. „Ik heb Nigerianen eens proberen uit te leggen waarom mensen hier vegetariër zijn. Voor hen is dat ondenkbaar. Vlees is schaars in Nigeria, wij hebben zo’n overvloed dat wij het ons kunnen veroorloven het te schrappen. Vegetariërs horen bij ons bij een klein collectiefje, en daar horen hoog opgeleide, witte vrouwen zoals ik relatief vaak bij.”

Ze komt nog even terug op de mok warme thee in haar handen. „De blaadjes van de jasmijn groeien aan een struik in China. Kort geleden zijn die daar geplukt. En door de thee ervan te drinken, komt de buitenwereld mijn lichaam binnen.” Het is vooral dat, wat eten voor haar zo interessant maakt. „Door te eten incorporeren we letterlijk een stukje wereld.”

En in haar wereld begint het onderzoek met nadenken over de taal en de betekenis van woorden. „Wat is eten? In het Nederlands is eten een werkwoord en een zelfstandig naamwoord. Het is de handeling en het object. Engelsen hebben er twee woorden voor: eating en food. Hoe zeggen wij dat de smaak van iets lekker is? En: wat is lekker? Er is een herdersvolk in Noord-Kenia dat voornamelijk leeft van melk. Al hun smaakaanduidingen zijn verbonden aan de smaak van melk. Iets smaakt als lekkere melk, als melk die al iets langer staat, als zure melk, en zo verder. Toen ze maïs aan hun dieet toevoegden, hadden ze geen woord om de smaak ervan te benoemen, ze verwoordden het met ‘grijs eten’.”

Er zijn Indiase talen die juist een enorme woordenschat hebben voor lekker eten. „Ze maken onderscheid tussen lekker in je mond en lekker in je buik. Of je lekker vol bent, of net niet vol maar toch voldaan. En dat gevoel bespreken ze met elkaar tijdens het verteren.”

Wij hebben, zegt ze, weinig waardering voor ons buikgevoel. Zoals wij ook denken dat smaak alleen bepaald wordt door de sensatie van onze mond en neus. Ze heeft, bij wijze van experiment, met zes jonge collega’s rijst en dahl (een soort pittige linzensoep) gegeten met de handen. „We stelden vast dat je met je vingers kan proeven.”

Kijken en observeren

Twee flinke kommen sla worden voor ons op tafel gezet. Annemarie Mol maakt af wat ze aan het zeggen was. Dat na het talige deel van haar vak, het praktijkgedeelte komt. Het kijken en observeren. Ze kijkt me indringend aan en zegt: „Wij onderzoeken geen mensen, wij onderzoek praktijken. We vragen niet: vindt u dit lekker en waarom. We kijken hoe mensen zich in het alledaagse leven verhouden tot eten. Wat ze doen.” Als ik vraag hoe dat dan gaat, legt ze resoluut haar mes en vork neer. „Nu even niks vragen, hoor. We gaan eerst eten.”

Als we klaar zijn – zij heeft haar kom half leeg – vraag ik of haar aandacht voor het eten zo-even (de handeling en het gegetene), te maken heeft met haar pleidooi voor genieten. Ze heeft onderzoek gedaan in de praktijk van diëtisten, en geconstateerd dat het daar opvallend veel over gezond eten gaat, en heel weinig over lekker eten. „Mensen krijgen een papiertje met drie kolommen. Een kolom voor eten dat gezond is en dus mag, een kolom voor eten dat af en toe mag, en een kolom met producten die ze ‘liever niet’ moeten eten.”

En over dat soort praktijken kan Annemarie Mol eindeloos denken. Probleemloos betrekt ze daarbij de klassieke Westerse verachting voor het lichaam, politieke theorieën over de verhouding tussen burgers en de overheid, en wetenschapstheoretische denkramen. Maar net zo makkelijk kan ze, in gewone mensentaal uitleggen wat ze bedoelt. „De helft van de mensen in het Westen is te dik. En dat vinden we dan de schuld van het lichaam. Het lichaam is gulzig, en wil veel meer dan de tweeduizend calorieën die we per dag ‘mogen’.” Die dagelijkse portie calorieën, zegt zij, is vastgesteld in tijden van schaarste. „Toen fabriekseigenaren precies wilden weten hoeveel hun arbeiders gemiddeld aan voedsel nodig hadden, en hoeveel zij hen dan aan salaris moesten betalen.”

Dat is wat zij noemt de tragiek van de kilocalorie. Want nu, in een tijd van overvloed, wordt de calorie gebruikt om dikke mensen de maat te nemen. „Dikke mensen zijn niet per se te dik omdat ze eten zo lekker vinden of omdat ze er zo van genieten. Misschien eten ze geen lekker eten, ze proeven niet goed, of ze ervaren pas dat ze voldaan zijn als ze vol zitten.” Zij draait de vraag om: waarom zijn dunne mensen dun? „Ze stoppen met eten als ze bevredigd zijn. Als ze genoeg genoten hebben.” Dus als Annemarie Mol diëtiste was zou ze niet zeggen: ‘controleer hoeveel je eet’, maar: ‘geniet van wat je eet’.

De ober komt vragen of we nog iets willen drinken. Annemarie Mol vraagt zich hardop af wat op dit uur van de dag nou eens lekker kan zijn. Ze kiest weer jasmijnthee. „De afgelopen vijftig jaar is het vanzelfsprekend geworden om bier en frisdrank te drinken. Om bewerkt voedsel te eten in plaats van vers.” Mensen zouden de frisheid van water weer moeten leren waarderen, de geur en warmte van vers gezette thee. Ze noemt dat het cultiveren van genot, het stileren van lusten.

Ik vraag of ze dat zelf nog kan, genieten van de smaak van lekker eten. Ze glimlacht en besluit te antwoorden.

„Voor iemand met mijn onderzoeksgebied ben ik verrassend weinig neurotisch over eten geworden.”