Twee rampzalige tochten naar Moskou

Voor de vakantiekoffer maakt Bernard Hulsman deze week een keuze uit het aanbod van goedkope geschiedenisboeken. Van Napoleon tot Napoleon met Hitler en Stalin tussendoor.

Deze zomer is het precies tweehonderd jaar geleden dat Napoleons Grande Armée optrok naar Moskou. Beter dan in 1812. Napoleons fatale veldtocht naar Moskou van de Pools-Amerikaanse historicus Adam Zamoyski (Vert. Han Meyer, Balans, 560 blz. € 17,50) is het verhaal van de rampzalige veldtocht van de Franse keizer nooit verteld. Vooral omdat Zamoyski veel gebruik maakt van ooggetuigenverslagen en dagboeken, niet alleen van soldaten in Franse dienst, maar ook van Russische officieren, is 1812 ijzingwekkend.

In de zomer van 1812 verloopt alles nog voorspoedig en in de herfst kunnen Napoleons troepen het brandende Moskou plunderen. Maar Napoleon blijft te lang in Rusland. Als hij en zijn leger ver in oktober Moskou verlaten, is het weer nog zo goed dat Napoleon smalend opmerkt dat alle Ruslandkundigen die hem hadden gemaand eerder of niet de terugtocht te aanvaarden onbenullen zijn.

Maar dan valt de Russische winter laat maar onverbiddelijk in. Zamoyski beschrijft in bijna tweehonderd verschrikkelijke bladzijden hoe de Grande Armée wordt gedecimeerd door kou, uitputting en veldslagen.

Hitler dacht dat hij zou slagen waar Napoleon mislukte en liet op 22 juni 1941 de Wehrmacht beginnen met de operatie Barbarossa, die moest leiden tot de verovering van de Sovjet-Unie. Ook in zijn tijd verliep de zomer voorspoedig: het Duitse leger walste over Oost-Europa heen, op de voet gevolgd door Einsatzgruppen die onmiddellijk begonnen met massamoorden op vooral Joden.

Vòòr Barbarossa had de NKVD, Stalins Gestapo, al huisgehouden in de Baltische staten, Oost-Polen, Wit-Rusland en de Oekraïne.

In Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin (Vert. Patty Adelaar en Ton Heuvelman, Ambo, 639 blz., € 25,-) uit 2010 laat de Amerikaanse historicus Timothy Snyder gedetailleerd zien hoe Oost-Europa in het tijdvak 1928-1945 werd vermorzeld door de Sovjet-Unie en Duitsland, met 14 miljoen doden als gevolg. Voor 10 miljoen hiervan was Hitler verantwoordelijk, voor 4 miljoen Stalin.

Net als Zamoyski maakt Snyder veel gebruik van dagboeken, brieven en notities van de slachtoffers, en geeft zo de tragiek van Oost-Europa een gezicht.

Door de immense schaal van de moordpartijen is Bloedlanden een nog gruwelijker boek dan 1812.

Ook in de ‘speciale, uitgebreide editie’ van Het Pauperparadijs. Een familiegeschiedenis en De kleindochters van de schilder (Balans, 260 blz., € 12,50) speelt de Tweede Wereldoorlog een rol. Op haar speurtocht naar een vermeende adellijke voorouder ontdekte Suzanna Jansen dat niet alleen haar grootvader in 1941 in Duitsland had gewerkt, maar dat haar oom Koos er zelfs vrijwillig naar toe was gegaan. Hij moest dit met de dood bekopen: op 8 mei 1943 overleed hij op 18-jarige leeftijd in Berlijn aan de complicaties van een longontsteking.

Net als Suzanna Jansen ging de Britse keramist Edmund de Waal, kleinzoon van een Nederlander, op zoek naar de geschiedenis van zijn van oorsprong Weense familie, de Joodse Ephrussi’s. Aanleiding is de verzameling netsukes (kleine, Japanse figuurtjes van ivoor) van de rijke graanhandelaar Charles Ephrussi. In De haas met de amberkleurige ogen. Een geheime erfenis (Vert. Willeke Lempens, Mistral, 320 blz. € 12,50) laat De Waal zien hoe veel van de Ephrussi’s WO II niet overleven maar de netsukes wel. Uiteindelijk komen ze terecht bij zijn oom Iggie in Tokio, waar het boek begint.

De stoffelijke resten van Napoleon zijn uiteindelijk terechtgekomen in de ‘Dome des Invalides’ in Parijs. De kerk van het tehuis voor oorlogsinvaliden dat Lodewijk XIV liet bouwen is niet ver van Invalides, een van de metrostations aan de hand waarvan de Franse schrijver Lorànt Deutsch in Métronome (Vert. Martine Woud, Thomas Rap, 395 blz. € 12,50) de geschiedenis van Parijs beschrijft.

De ondertitel, In het ritme van de metro door de geschiedenis van Parijs, suggereert dat Deutsch met een reis langs de Parijse metrostations deze geschiedenis vertelt. Maar het blijkt minder spectaculair: Deutsch heeft bij elke eeuw uit de Parijse geschiedenis een passend metrostation gezocht. Zo kreeg de eerste eeuw, toen Parijs nog Lutetia was, het station Cité. En de 18de eeuw, toen in het 89ste jaar de Franse Revolutie plaatsvond, kreeg natuurlijk Bastille. Zo moet de lezer nog altijd zelf uitzoeken waar Pont Bir Hakeim voor staat: de slag van de Fransen tegen het Duitse Afrikakorps van generaal Rommel in 1942 in Libië.

Bernard Hulsman