Slim schrapen voor fracties van een seconde

Achter de innovaties in de topsport gaat een levendige industrie schuil. Allemaal op zoek naar dat beetje hoger, sneller of harder.

Roeiers van de Holland Acht in de door DSM ontwikkelde boot met stijvere romp. Voor de Spelen kozen ze andere boot, waar ook ideeën van DSM in verwerkt zijn. Foto ANP/Robin Utrecht

In de trainingsbaden van Eindhoven en Amsterdam is het een alledaags ritueel geworden: het startblok op, een duik in het water, even zwemmen en dan snel naar de monitor. Uitdruipend kijken of dit eindelijk weer eens een perfecte start was.

Het was op de WK langebaan van 2007 (Melbourne) dat de Nederlandse zwemmers erachter kwamen dat ze al bij de start kostbare tijd verloren op hun grote concurrenten uit de VS en Australië. Sindsdien ontwikkelden een aantal bedrijven en wetenschappers in Eindhoven het meest geavanceerde startanalysesysteem ter wereld, met onderwatercamera’s en meetapparatuur die elke centimeter van de glijvlucht vastleggen en analyseren. „Het feit dat buitenlandse bedrijven en zwemmers hier komen testen toont aan dat dit bijdraagt aan de next step in zwemmen”, zegt George de Jong, directeur van innovatieplatform InnoSportNL.

Hij weet dat het Ranomi Kromowidjojo, Marleen Veldhuis en Sebastiaan Verschuren van pas zal komen in Londen. Zoals andere noviteiten hulp zullen bieden aan de zeilers, de rolstoelbasketbalsters, de roeiers en de turners. Maar De Jong heeft een nuancering voor sportfans met al te radicale verwachtingen van de Nederlandse olympische ploeg: „Een klapschaats zit er niet tussen.”

Zo kort voor ‘London 2012’ is het spitsuur bij InnoSportNL, gevestigd in het rustgevende groen van het nationale sportcentrum Papendal. De Jong, oud-volleybalbondscoach en vader van de topvoetballers Siem en Luuk, zag ze de afgelopen maanden massaal voorbijkomen, de bedrijfjes die meenden olympisch goud in handen te hebben met hun uitvindingen. „De laatste maanden voor de Spelen melden zich altijd veel Willie Wortels.”

Ook zijn counterpart bij sportkoepel NOC*NSF, oud-hardloper Kamiel Maase, wordt „platgebeld en -gemaild”. „Mensen met een nieuw supplement, bijvoorbeeld. ‘Als je dit niet neemt laat je drie gouden medailles lopen.’ Meestal is het een soort Tellsell-verhaal. De meest waanzinnige drankjes komen voorbij, waardoor je sneller zou herstellen of meer zuurstof zou krijgen. Vaak zijn het startupbedrijfjes die willen meeliften op de vijfringenkoorts”, zegt Maase, die deelnam aan de Spelen van Sydney (2000), Athene (2004) en Peking (2008). Nu is hij coördinator wetenschappelijke ondersteuning topsport bij NOC*NSF. „Ik geloof niet in wonderen, zoals de magneetbandjes die de balans zouden verbeteren, waardoor je zoveel procent beter springt.”

Natuurlijk wordt in deze kringen gedroomd van ultieme vindingen. Maar realistisch is dat niet, weten ze. Eerder komt innoveren in topsport neer op het schrapen van belangrijke honderdsten of zelfs duizendsten van een seconde. „De basis blijft een sporter met talent, een goede coach, een goed, voltijds trainingsprogramma en goede accommodatie”, zegt Maase.

Universiteiten

Maar dat wil allerminst zeggen dat zij geen hulp van buitenaf kunnen gebruiken. De laatste jaren vonden steeds meer sportwetenschappers en makers van sportgerelateerde materialen hun weg naar de topsport: van de TU Delft en de VU tot kennisinstituut TNO en gespecialiseerde ondernemingen als DSM of Philips. „Er is nog nooit zoveel intensief contact geweest tussen de universiteiten en de topsport”, zegt Maase.

In juni werd op Papendal het nieuwste ‘InnoSportLab’ van Nederland opgestart, waar onder meer onderzoek wordt gedaan naar het thema sport en voeding. Sporten als schaatsen, zwemmen, zeilen en turnen kennen al langer hun eigen ‘laboratorium’ waar talloze gegevens van de sporters worden gemeten en geanalyseerd. De Jong: „Coaches staan steeds meer open voor dit soort dingen, voor wetenschappers of bedrijven met ideeën. Onze visie is dat, in plaats van een traditioneel laboratorium, de trainingsomgeving van de sporter steeds meer de omgeving is waar kan worden gemeten en getest, zonder dat het de sporter stoort in zijn trainingen.”

Als een bewegingswetenschapper ontdekt dat Verschuren na zijn start te snel boven water komt, heeft de zwemmer een concreet punt waarop hij zich kan verbeteren. Weer elfhonderdste gewonnen.

Natuurlijk, het meest in het oog springen de tastbare, glimmende innovaties waarmee bedrijven de boer opgaan. Het nieuwe badpak van Kromowidjojo bijvoorbeeld, door zwemkledingfabrikant Arena in de markt gezet als ‘Powerskin Carbon Pro’. Het zou haar enkele tienden van een seconde winst moeten opleveren op de 100 meter vrije slag.

Zulke tijdwinst zoeken ook de Nederlandse roeiers in hun nieuwe, door DSM ontworpen boot met extra stijve romp. En de rolstoelbasketbalsters, die tijdens de Paralympics gebruik maken van een nieuwe rolstoel, zijn veel wendbaarder dan voorheen. „Dat is een hartstikke mooi ding waardoor ze makkelijker kunnen bewegen”, zegt De Jong. „Maar ze moeten die bal er nog steeds zelf in gooien.”

Kantelvoetenbord

Het gaat ook regelmatig mis. Het klapracket voor de tennissers, de zwemvin voor de schoolslagzwemmers, de flexibele schaatsijzers, het kantelvoetenbord voor de roeiers, de spierondersteunende kleding voor de wielrenners werden de afgelopen jaren getest, maar vielen om verschillende redenen af – meestal omdat er geen positief effect kon worden aangetoond. De Jong: „Natuurlijk mislukken ook een hoop dingen. Iets proberen en niet slagen is ook heel belangrijk om uiteindelijk de goede dingen te doen. Sommige dingen passen niet bij de coach, sluiten niet aan bij de sporter, of zijn praktisch niet uitvoerbaar. Het gaat tegenwoordig om duizendsten van een seconden. In dat proces wil een coach kunnen zeggen: ik heb alles geprobeerd en nergens iets laten liggen.”

Sportinnovatie is veel meer dan alleen materiaaltechnische vernieuwingen. „Natuurlijk helpt het als je iets betere kleding hebt, een iets stijvere boot, een meer aerodynamische fietshelm, of banden met een lagere rolweerstand”, zegt Maase. „Al die dingen dragen hun procentje bij, maar dat is een te beperkte blik op innovatie. Het verbeteren van het primaire proces, vier jaar in een topsportomgeving trainen voor de Spelen, is nog altijd het belangrijkst. Dat bepaalt 90 procent van de prestatie. Die klapschaats, die een hele sport veranderde, komt maar weinig voorbij.”

Soms is het een kwestie van vinden wat elders in de wereld al bestaat. Bij NOC*NSF houdt Maase zich daarmee bezig binnen een ‘high performance team’ rond technisch directeur Maurits Hendriks, met onder meer een sportarts, een sportpsycholoog, een technologiedeskundige, een krachttrainer. Zij merkten bijvoorbeeld op dat de Nederlandse judoka’s geen gebruik maakten van zogenoemde opponentanalyse. Een collega wees ze op een bestaand videoanalysesysteem waar allerlei andere landen veel baat bij hebben in de voorbereiding op partijen. ‘Papendal’ moet weten dat het bestaat.

Maar het blijft moeilijk te bepalen welke bijdrage de innovaties precies leveren. Het nieuwe startanalysesysteem van de zwemmers wordt elke dag in de training gebruikt. „Dat levert dus vier jaar lang rendement op, niet alleen tijdens de Spelen”, zegt Maase. „Dat geldt ook voor een innovatie op het gebied van voeding, waardoor een sporter iets sneller herstelt. Maar het is heel lastig te zeggen welk van die duizenden steentjes leidt tot welke tijdwinst.”

Kruisbestuiving

Hoewel de aandacht meestal uitgaat naar de topsporter, profiteren ook de wetenschap en het bedrijfsleven van de ontwikkeling van nieuwe producten. Tal van producten die bedacht werden voor de sport vinden hun weg naar de gewone consument. „Het sportdrankje is ooit bedacht in Florida”, zegt Maase. „Dat was destijds echt ontworpen in opdracht van de coach van de Gators, een team in het American football. Vandaar de naam Gatorade. Tegenwoordig staan die drankjes bij elke benzinepomp. De eerste hartslagmeters werd ontwikkeld in Finland en kostten duizenden euro’s per stuk. Nu koop je ze voor honderd euro bij de Mediamarkt. Eén op de vijf gezinnen heeft zo’n ding in de kast liggen.”

Die kruisbestuiving is mede waarom bedrijven en wetenschappers graag proefdraaien in de sportwereld. „Het thema sport en voeding wordt steeds actueler”, zegt De Jong. „Sporters zoeken altijd naar voeding die ze sneller doet herstellen. Maar ook in de medische wereld wordt daarnaar gezocht, voor patiënten.”

Langs dezelfde lijn kijken ondernemingen nieuwsgierig naar de Nederlandse watersport, waar een onderzoeksproject loopt voor een nieuwe coating op de buitenkant van zeilboten, kano’s en roeiboten. Daarbij wordt onderzocht of de waterweerstand afneemt door nieuwe materialen. „De sport is daarin leidend”, zegt Maase. „Maar het bedrijfsleven wil die kennis ook. Stel dat olietankers met zo’n nieuwe coating een half procent zuiniger zouden varen, dan zou dat tonnen olie besparen. Dat ligt ver weg van de finish op de Spelen, maar kan heel belangrijk zijn.”

De innovatieve manier waarop de olympische sport de laatste jaren in Nederland wordt benaderd wordt in Londen straks goed zichtbaar – hoog boven het olympisch dorp. NOC*NSF bouwt daar op het dak van de parkeergarage van een winkelcentrum naast het sportersdorp een eigen ‘high performance center’ voor de Nederlandse sporters.

„Er komt een krachthonk, vier behandelkamers voor mentale begeleiders en persoonlijke fysiotherapeuten, een ruimte voor videoanalisten en een werkplaats.” zegt Maase. „Toen ik zelf naar de Spelen ging, waar je je beste prestatie ooit moet leveren, had ik ineens te maken met een fysiotherapeut die ik nauwelijks kende Op deze manier kunnen de Nederlandse sporters ook tijdens de Spelen werken zoals ze anders ook zouden doen bij een groot toernooi.”