Populair en verguisd om ongepolijste sculpturen

Franz West maakte beelden die onafgewerkt en vol humor waren, en bedoeld om op te liggen of zitten. Zijn werk was immens populair, maar riep ook controverse op.

Franz West in 2009.

De Oostenrijkse beeldhouwer Franz West, bekend om zijn bewust klungelige en onooglijke beelden, is woensdag op 65-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats Wenen. Hij leed al langere tijd aan een leverziekte.

West maakte sculpturen die ongepolijst en humorvol waren, beelden in de vorm van worsten of drollen, uitgevoerd in vrolijke pastelkleuren of poepbruine tinten. In Rotterdam bijvoorbeeld, ligt in het gras langs de Westersingel het werk Qwertz uit 2001: vijf kleurige objecten die nog het meeste weg hebben van reusachtige sigaren. West zette zich met zijn werken af tegen gestileerde abstracte beelden die doorgaans de openbare ruimte sieren. Zijn sculpturen zijn niet gelikt en ook niet glimmend, maar ruw en onafgewerkt, aan elkaar gelast als een lappendeken. De kunstenaar zag graag dat zijn beelden gebruikt werden om op te zitten en te liggen. „Het maakt niet uit hoe de kunst eruitziet”, vond hij, „belangrijk is hoe het werk gebruikt wordt.”

West, geboren in 1947 in Wenen, studeerde in de jaren zeventig aan de Akademie der Bildenden Künste in Wenen en begon een carrière als schilder, maar koos al snel voor de beeldhouwkunst. Wenen werd in die tijd opgeschrikt door de provocerende performances van de Wiener Aktionisten, maar West zette zich daartegen af met een lichtzinniger soort kunst. Zijn beelden noemde hij Passtücke: gekke witte objecten uitgevoerd in papier-maché op gips die bedoeld waren om op het lichaam te dragen. Pas als het publiek ermee ging rondlopen, waren de kunstwerken ‘af’.

Vanaf de jaren negentig begon West met het maken van beelden in kleurig gelakt aluminium, geïnspireerd op de vorm van Weense worstjes. Ook begon hij tafels en stoelen in zijn installaties te verwerken. Die immens populaire assemblages zijn sindsdien te vinden in menig stadspark of museumtuin.

Dankzij die uitgesproken anti-esthetiek riep het oeuvre van West bij het publiek vaak tegenstrijdige gevoelens op. Enerzijds was hij een graag geziene gast op ’s werelds belangrijkste tentoonstellingen – hij nam diverse keren deel aan de Biënnale van Venetië en de Documenta. Anderzijds werd de kunstenaar ook vaak beschimpt. The New York Times noemde hem in 2008 „een van de meest overgewaardeerde kunstenaars ter wereld”.

Ook de onlangs overleden Gerrit Komrij spotte met West in zijn columns in NRC Handelsblad. „Hij is de kunstenaar die overal ter wereld pleinen en grasperken en museazalen vulde met kronkelende lange slierten”, schreef hij in 2009. „Ik betrad pleinen waarop ik languit zijn op darmen lijkende tuinslangen zag liggen. Ik passeerde bermen waarop fier zijn op tuinslangen lijkende darmen stonden. Stel, dacht ik, dat je zo’n kunstenaar zijn gang laat gaan. Dan was de halve wereld bedolven onder de roze en blauwe en gele slierten, of een dinosaurus alles had ondergekotst.”

In 2011 kreeg West op de Biënnale van Venetië de Gouden Leeuw voor zijn gehele oeuvre, een van de hoogste onderscheidingen die een kunstenaar te beurt kan vallen. In Nederland is zijn werk te vinden in de collecties van Museum Kröller-Müller en het Bonnefantenmuseum.