Oorlogsjournalistiek: veel dollars en een zwembad

De internationale pers stroomt naar de grens tussen Turkije en Syrië. Maar niet iedereen waagt zich de grens over. En de goede smokkelaars zijn nu allemaal bezet.

Het zijn zware tijden voor de oorlogsverslaggevers in dit deel van de wereld. Na zeventien maanden strijd in Syrië lopen de temperaturen aan de grens met Turkije op tot boven de veertig graden. In het Green Hammamat hotel in Reyhanli trekt de correspondent van de Duitse zender ZDF daarom lange banen in het turkooizen zwembad. „Naar Syrië de grens over?’’ zegt de verslaggever aan de rand van het zwembad. „Nu even niet. Veel te gevaarlijk. We proberen het over een paar weken wel weer.’’

Hier aan de grens kun je de correspondenten scheiden tussen zij die gaan en zij die blijven. Versla je de vluchtelingen aan de Turkse kant van de grens of versla je de oorlog aan de overkant? Soms kun je vanaf de rand van het zwembad net de rookpluimen zien die opstijgen uit de Syrische grensdorpen. Gisteren werd het ontbijt hier vergezeld van de doffe dreunen van inslaande mortieren. Voor degenen die niet gaan, is het dan net alsof ze er live bij zijn.

In hetzelfde zwembad werkt een Turkse producer aan zijn rugslag. Hij is al jaren het manusje-van-alles in conflictgebieden voor de grote Amerikaanse en Britse zenders. De Amerikanen en de Britten pakken dat anders aan dan de vastelanders uit Europa. Zij vliegen containers vol materiaal naar de grens. Aggregaten, jerrycans, satellietschotels, kogelwerende vesten, helmen. De huisraad voor drie of vier cameraploegen tegelijk, elk voorzien van een beveiliger die ter plekke de risico’s inschat. Om freelancers zoals ik, die tegelijk de radio, televisie en krant moeten voorzien, lachen zij een beetje. Zij zijn 24 hour news. Zij zijn degenen die gaan. De Turkse producer zelf stak in de afgelopen maanden talloze malen over naar Syrië, ver voordat het hier in de mode raakte. Hij waadde door de grensrivier, banjerde door de weilanden, ging op motorfietsen en als het moest te paard. Zijn jongens zitten nu in Aleppo, de tweede stad van Syrië waar het regeringsleger van Assad vecht voor zijn voortbestaan. „Zo doen we dat.’’

De grote jongens maken het de freelancers financieel lastig. De prijzen voor de smokkelaars zijn sinds de komst van de grote tv-zenders vertienvoudigd. Dezelfde Syriër die vorige week vrijdag nog voor 180 Amerikaanse dollar de auto reed, vertaalde en mij de grens over smokkelde, vraagt nu 700 dollar voor zijn service, plus 1000 dollar per dag per verslaggever. Daar hoef je op de redactie in Nederland niet mee aan te komen.

Het probleem is dat de goede smokkelaars nu allemaal bezet zijn. Wat overblijft zijn de sjacheraars. Fotograaf Jeroen Oerlemans stak vorige week donderdag over met een smokkelaar die hem in een rechte lijn naar een kamp met buitenlandse jihadisten stuurde. Daar werd hij een week vastgehouden, totdat strijders van het Vrije Syrische Leger hem ontzetten. Nadat ze de fotograaf veilig over de grens met Turkije hadden gezet, lieten de strijders weten de bewuste smokkelaar al langer te kennen. „He loves money.’’ Wie niet, dezer dagen aan de grens?