Notities uit een zorghotel

Boudewijn Paans (1943) is schrijver en programmamaker. Afgelopen jaar verscheen zijn biografie: Eindelijk invalide. Hij werd spastisch geboren en verbleef acht dagen in een zorghotel zodat zijn vrouw Anna op vakantie kon.

Anna vraagt welke jasje er mee moet. Ik kies voor de blazer met de goudkleurige knopen van Wim Hogeveen uit Baarn. Sportief en toch netjes. Oké, antwoordt mijn vrouw en ze gaat door met het pakken van mijn tas.

Over een paar uur gaan we op reis. Zij gaat naar Ierland. Een week wandelen met vriendin Marjan uit Rijnsaterwoude. En ik ga acht dagen naar een zorghotel te Breda.

Zielig? Eigen schuld! Moest ik maar niet spastisch geboren worden. Een paar hartinfarcten krijgen. En later ook nog een hersenbloeding. Dat loopt allemaal echt niet lekker. En daarbij ken ik het eiland op mijn duimpje. Ik mag een keertje op de verjaardag van Arnon Grunberg in Dublin komen.

Eerlijk gezegd blijf ik nu liever thuis. Het Rotterdamse appartement aan de Maas past me, daarmee kan ik lezen en schrijven. De familie heeft dat liever niet. Hun verhalen over mensen die dagenlang zwaar gewond onder aan de keldertrap liggen, vind ik onzin. Aan de Maas hebben we niet eens een kelder.

De familie geeft geen krimp. Want wanneer ik toch per ongeluk val, moet Frans van het café Joy & Pride bij ons op de hoek me oprapen. Een zorghotel vindt iedereen het beste.

Ik boek bij Merlinde in Breda. Het hotel heeft vier sterren en ook een brancheprijs gewonnen. Daarbij lachen bijna alle gasten op de site van het zorghotel.

Mevrouw Nieuwland van het zorghotel vraagt per mail waar ik zoal ondersteuning bij nodig heb. Ik behoef hulp bij het snijden van vlees en bij het klaarmaken van een boterham. Ook heb ik soms moeite met een eigenwijs knoopje van een overhemd. En voor het medicijn in een zakje, heb ik minstens een half uur nodig om het in te nemen. Zonde van de vakantie.

Van de hulpmiddelen vraag ik aan mevrouw Nieuwland, alsof ze Sinterklaas is, een douchestoel, een toiletbeugel, een urinaal voor de nacht en een scootmobiel. Ik krijg het allemaal. Alleen die scootmobiel moet ik huren. Dat kost zeven euro per dag.

Dong, mijn jongste zoon, brengt me naar het hotel. Een moment voel ik me een hond die naar een asiel wordt gebracht. In het restaurant, waar we in drie keurige gangen warm eten, is het druk. De stemming is er een van een schoolklas die net heeft gehoord dat de juf ziek is.

Veel stoelen kunnen rollen. De serveerster die het dessert brengt, meldt dat het Zonnebloemers zijn. Stuk voor stuk hebben ze een eigen buddy meegebracht. Stiekem kijk ik of Danny de Munck er ook bij is.

We krijgen een gast aan tafel. Ria, ze is van de verzorging. Als er wat is, moet ik bij haar zijn. Dan volgt een intake: het ultieme gezelschapsspel met zieken en zwakken.

Wanneer is genoteerd dat ik nergens allergisch voor ben en dat ik helemaal alleen mijn schoenlaarzen kan aantrekken, dankzij mijn schoenmaker Van der Voordt in Kralingen, gaan we naar mijn kamer. Onderweg hoor ik de Zonnebloemen in hun rolstoel nog You’ll never walk alone zingen.

Mijn kamer ligt op de eerste etage. Kamer 103 is zo’n zestig à zeventig meter lopen van de lift. Als ik even door stap ben ik weer thuis in Rotterdam.

Op de gang hangt een echte Hans Paans: een geschilderd duinlandschapje. Het herinnert me aan Schiermonnikoog, aan mijn lievelingshotel Van der Werff.

Hoezo is dat hotel niet geschikt voor gehandicapten? Prins Bernhard kwam er ook.

Kamer 103 is een grote zolderkamer met parket en hanenbalken. Als ik door een dakkapel naar buiten kijk, zie ik het orthopedagogisch centrum Brabant. Schitterend.

Vind ik dit wel leuk? Dong zegt dat ik er nog maar eens een nachtje over moet slapen. Op de badkamer is toch niets aan te merken. Oké. Maar mijn tas hoeft niet uitgepakt te worden. Ik wil nog alle kanten op kunnen.

Heel verstandig, kijkt Ria.

Ze heeft nog een verrassing. Ze heeft een alarmhorloge voor me. Als ik val of iets anders stoms doe, hoef ik alleen maar op het horloge te drukken en dan weten ze bij de zorg hoe laat het is.

Niks voor mij, reageer ik nog steeds stoer. Het ding doet me trouwens denken aan elektronische detentie. Ik ben DSK niet.

De volgende ochtend liggen mijn benen in een hoek van veertig graden op het matras. Heel apart. Misschien moet ik nog wat wennen aan het moderne bed, met een joystick die regelrecht uit een JSF lijkt te komen.

Voor mijn kamerdeur staat een zilvergrijze scootmobiel. Daarmee rijd ik eerst langs de receptie om te melden dat mijn kamer in orde is. ’s Nachts heb je toch je ogen dicht, hoor ik mijn moeder weer zeggen.

Op weg naar het ontbijt beland ik in een file montere Zonnebloemers. Ze gaan weer op stap met de bus.

Voordat iedereen is ingeladen zijn we alweer thuis, grapt een buddy in een korte, lange broek. Zijn collega, die even niets om handen heeft, wil per se nog even met me uit wandelen. Heerlijk, een luchtje scheppen. Helaas, ik moet nog ontbijten.

Gelukkig komt in Merlinde het lopend buffet naar je toe als je daarom vraagt. Ik hoor in het restaurant een mevrouw ‘zuster’ naar de ober roepen. Dat is fout. De obers zijn in het wit, de verzorging is in het grijs,

Mijn ontbijt – twee boterhammen met kaas en een hard gekookt ei – wordt aan tafel klaargemaakt door een mevrouw die net stage heeft gelopen in Peking.

Voor ik Breda ga ontdekken, bezoek ik het toilet. Ik voel acht damesogen tussen stokken en steunen me stap voor stap kritisch volgen, niks nieuws. Een invalide kijkt graag hoe erg de andere invalide eraan toe is.

Onder het plassen klinkt Miles Davis. Dat plast lekkerder dan een nummertje muzak. Bij de receptie zeggen ze dat die muziek uit een kastje komt.

Ik kom niet ver in Breda. Op de Haagdijk is de accu leeg. Ik ben gestrand voor een dierenwinkel. Een cavia in de etalage kijkt me aan met iets van: jij ook hier?

Ik bel het zorghotel. Ria komt me sneller te hulp dan welke wegenwacht ook, Ik krijg een nieuwe scootmobiel. Ze herinnert me eraan dat ‘we’ mijn tas nog moeten uitpakken.

Met mijn America Today-broek in haar hand zegt Ria dat ze beneden denken dat het een pyjamabroek is. Ik voel opnieuw die acht kritische damesogen in mijn rug. Oké. Wanneer het geluk voor de dames nog steeds in een broek zit, trek ik morgen iets anders aan.

Een lief echtpaar uit Leidschendam schat dat ik in mijn nieuwe outfit tenminste kolonel in het leger ben geweest. Ik vind het bijna jammer om het te corrigeren.

Ik bof toch maar in Breda. Ik maak ook nog de open dag van het zorghotel mee. Alles is uit de kast getrokken om de locatie zo goed mogelijk ‘neer te zetten’. Dus is er zang en net geen dans. Een kraam met spiegeltjes en kralen en uiteraard op de bijna tochtvrije binnenplaats een gratis barbecue.

Ik doe enthousiast mee. Opvallend veel dubbel geringde mevrouwen – mannen gaan ondanks de emancipatie nog steeds eerder dood – willen alles van me weten. Hoe het bevalt? Hoe het eten is? En of die mevrouw achter de piano altijd zo hard zingt? Wijzend op de heftig rokende barbecue vraagt een meneer bezorgd of het hotel wel een keuken heeft.

En weer wil iedereen weten waar Anna is. Ierland wordt met grote instemming aangehoord. Even uit de sleur raken doet een mantelzorger goed, vindt iedereen.

Klopt helemaal, zie ik op mijn iPad, waarop net nieuwe Facebookfoto’s zijn binnengekomen.

Mijn zorghotelgedrag is helemaal ingedaald. Ik ben maar één keertje uit bed geduikeld en zo soepel als James Bond weer opgestaan. Aan tafel ben ik de jongste en houd ik dus mijn mond en luister naar de verhalen. Van operaties die niet lukken. En van de meneer die graag eerder dood wil dan zijn vrouw, want hij is zo verwend: een kopje thee kan hij zelf niet zetten. En van de meneer die vanwege een vlizotrap niet meer bij zijn treintjes kan komen. Of de gast die iedere dag zegt dat hij morgen naar huis gaat. En de meneer met de prachtigste bretels van de wereld die telkens hard roept dat hij zich nooit meer laat commanderen.

Vaak kijk ik voetbal met de gast die met geen mogelijkheid kan juichen. Heel af en toe gooit hij per ongeluk zijn glaasje wijn om. Gelukkig niet over het biljart, glimlacht de bediening. Onder het tienuurjournaal rijdt een brancard, als een dessertwagen, door de brede gang van het zorghotel. Een patiënt ligt aan het beademingsapparaat. Zij lijkt naar iedereen te zwaaien. Niemand reageert.

De kinderen lopen de deur plat. Lief, maar heb ik wel zo veel bezoektekst? Met Arjan en Loes ontdek ik verder culinair Breda. Met Maartje probeer ik een nieuwe kleur te bedenken voor de wat DDR-achtige kleding van de verzorging en met Dong bezoek ik een tentoonstelling van Joost Zwagerman en Breda op zondag. Net een dorp, waar invalide kinderen onder de vlag van het Rode Kruis voor zichzelf collecteren. Jammer dat Marc op afstand mijn mail niet kan repareren. De wifi van het zorghotel is, heel solidair, ook wat gehandicapt.