'Niemand is bestand tegen onversneden aandacht'

Journalist Coen Verbraak begint maandag met een nieuwe serie Kijken in de Ziel. Hij spaart geïnterviewden niet, maar wil hen geen hak zetten. Zijn doel is „de harteklop van mensen te vangen”.

Coen Verbraak geldt als een van de beste interviewers van Nederland. Hij stelt intieme, soms confronterende vragen. Tegen Ad Melkert: „Huilt u wel eens?” Tegen Anna Enquist: „Hoe ziet rouw er van binnen uit?” En tegen Philippe Remarque, bij diens aantreden als hoofdredacteur van de Volkskrant: „Ik hoorde dat u ooit bij NRC Handelsblad heeft gesolliciteerd. Waarom is dat eigenlijk niets geworden?”

Door het ongemak dat die laatste vraag opriep – de eindredactie schrapte hem op last van Remarque uit het interview, buiten medeweten van Verbraak – stapte hij vorig jaar over van de Volkskrant naar NRC Handelsblad. Hij heeft geen ruzie met zijn voormalig hoofdredacteur, bezweert Verbraak, ook al hebben zij elkaar sindsdien niet meer gesproken. „Ik kan gewoon niet werken voor een baas die ik niet vertrouw. Bij het scheren valt het ’s morgens toch al niet mee om naar mijn slaperige kop te kijken. Stel je voor dat ik ook moet denken: wat een slappe zak, die heeft zich laten piepelen door zijn baas. Dan zou ik niks met mezelf meer te maken willen hebben.”

Ruzie heeft Verbraak (46) naar eigen zeggen zelden. Zeker niet met zijn opdrachtgevers, waarvan hij in de loop der jaren een indrukwekkend aantal heeft verzameld. Naast interviews en portretten voor kranten en tijdschriften – waarvan de beste bij Vrij Nederland verschenen – maakte hij documentaires voor radio- en tv-zenders, waaronder een drieluik over Van Kooten en De Bie voor de VPRO.

Maandag zendt de NTR de vijfde reeks van zijn interviewserie Kijken in de ziel uit. Na psychiaters, voetbalcoaches, advocaten en politici zijn ditmaal de artsen aan de beurt. Verbraak: „Ik sprak met artsen uit allerlei disciplines: een oncoloog, een cardioloog, een chirurg, een neuroloog etcetera. Aanvankelijk was ik bang dat hun ervaringen te veel uiteen liepen, maar dat viel reuze mee. Op de montagetafel laten de interviews zich moeiteloos ‘versnijden’. Daardoor ontstaat een rondetafelgesprek dat er in werkelijkheid nooit is geweest.”

Wat heeft u met artsen?

„Als kind ben ik een aantal keren flink ziek geweest. Dat klinkt zieliger dan het is, maar ik heb wel voor langere perioden in het ziekenhuis gelegen. Mijn beeld van ‘de’ dokter is toen gevormd: een man of vrouw die met je meedenkt. Iemand die zijn best voor je doet en moeilijke beslissingen neemt. Ik heb mij vaak afgevraagd hoe die beslissingen worden genomen. Wie bepaalt bijvoorbeeld of een behandeling wordt beëindigd: de arts of de patiënt? En hoe moeilijk het is voor een dokter om met zijn ampullen ergens aan te bellen omdat een patiënt dood wil? Op dat soort vragen heb ik in deze serie antwoord proberen te vinden.”

Artsen zijn gebonden aan hun beroepsgeheim. Bemoeilijkte dat de gesprekken niet?

„Ik heb met twintig artsen gesprekken gevoerd, van wie acht afvielen. Een van mijn selectiecriteria was: hoe openhartig zijn ze? Als een arts tijdens het kennismakingsgesprek al afspraken wilde maken over gevoelige onderwerpen, wist ik: die niet. En het heeft ook weinig zin iemand te interviewen die bang is dat al zijn collega’s meekijken.” Het verbaasde Verbraak hoe openhartig de geïnterviewden spraken over hun medische missers. Verschillende artsen vertellen hem hoe een patiënt stierf doordat zij fouten maakten. „Ik vind het knap als je dat durft, daar is moed voor nodig.”

Zij hadden achteraf geen spijt van hun ontboezemingen?

Verbraak grinnikt. „Ik moet hen natuurlijk niet op ideeën brengen. Maar serieus nu: die gesprekken drijven op onderling vertrouwen. Ik spaar geïnterviewden niet, ben kritisch, maar maak ook duidelijk dat ik hen geen hak zet. Want ja, mijn doel is hun harteklop te vangen. Neemt niet weg dat mensen soms op hun hoede zijn. Begrijpelijk. Maar als je drie uur praat laat iedereen vroeg of laat die rem wel los.”

U heeft zo’n zestig gesprekken gevoerd voor ‘Kijken in de ziel’. Wat heeft het u geleerd over de menselijke geest?

Verbraak zoekt naar woorden. „Een goede vraag”, mompelt hij. Dan zegt hij dat ieder vak duistere krochten heeft. „Neem de serie over strafpleiters. Gerard Spong vertelde dat advocaten geen geweten hebben. Als een cliënt vrijgesproken wordt wegens gebrek aan bewijs, terwijl hij bij hén wel een moord heeft bekend, verdedigen zij hem daarna rustig nog een keer. Dat soort dingen zetten je aan het denken. Hoe betrouwbaar ben ik zelf eigenlijk? Hoe ga ik met dilemma’s om?” Verbraak vertelt dat hij als jongetje al erg introspectief was. Zijn vader was bouwkundig ingenieur, waardoor het gezin vijf keer verhuisde voor zijn veertiende. „Ik moest elke keer in een nieuwe omgeving mijn plekje vinden. Daardoor ontwikkelde ik antennes: wat is hier de pikorde, hoe zit deze apenrots in elkaar? Ik hoorde er bij en ook weer niet. Voor een interviewer is dat geen slechte eigenschap.”

Verklaart dat waarom zo’n arts denkt: ik vertrouw hem?

„Als een interviewer nieuwsgierig is, zich goed heeft voorbereid, en laat blijken dat zijn gesprekspartner die dag de belangrijkste mens op aarde is, moet het raar lopen als hij niet wordt beloond. Uiteindelijk is niemand bestand tegen onversneden aandacht. ‘Iemand moet je de moeite waard vinden om het aan te vertellen’, heeft Joop van Tijn (oud-hoofdredacteur van Vrij Nederland) mij ooit geleerd. Alleen dán kan de vonk overspringen.”

De Volkskrant tipte u na uw eerste reeks ‘Kijken in de ziel’ als presentator voor Zomergasten. Lijkt het u wat?

„Ik kijk met veel plezier naar Zomergasten, maar heb nooit gedacht: op die stoel had ik kunnen zitten. Ik ben ook nooit gevraagd, dus het is niet aan de orde. Mijn huidige werk maakt mij heel gelukkig. Ik maak mijn programma’s zonder redactie, op eigen houtje en naar eigen inzicht. Waar vind je dat nog in Hilversum? Nee, het presenteren van Zomergasten is nog nooit door mijn hoofd gegaan. Ik zou mezelf een raar, verwend ventje vinden als dat wel zo was.”