Het is heel gevaarlijk om alles te willen onthouden

Hij speelt geen golf „en dan heb je tijd voor alles”.Historicus Henk Wesseling wordt 75 en blíjft maar schrijven. Een gesprek met gin-tonic over het grondrecht van historici om het anders te zien, over de natiestaat en over de Grieken. „Volstrekt onbetrouwbaar, altijd geweest.”

Geschiedenis hoort niet in de wet. „In een vrije staat heeft geen politieke autoriteit het recht om de historische waarheid te definiëren.”

Met die oproep zocht een groep historici in 2008 de publiciteit, toen de Franse regering haar pogingen doorzette om het ontkennen van de Armeense genocide strafbaar te stellen. Onder dit zogeheten Appel de Blois, stonden zeventien handtekeningen. „Ik zou zeggen [van] prominente historici als ik er niet ook zelf toe behoorde”, schreef Henri Wesseling uit La Haye er later over.

Op zulke parmantige zelfspot heeft Henk Wesseling (Den Haag, 1937) een octrooi. Doen alsof hij er eigenlijk niet echt bij hoort. Alsof het een beetje buiten hem om is gegaan dat hij zich wel degelijk thuis kan voelen tussen andere grote historici-van-het-weidse-perspectief. Zoals zijn bewonderde Parijse leermeester Fernand Braudel (1902-1985), voor wie geschiedenis minder te maken had met jaartallen en ‘gebeurtenissen’ dan met de tragere bewegingen eronder.

Of bij een andere meesterverteller zoals Simon Schama – een vergelijking waarbij Wesseling zelf een wenkbrauw optrekt. Want ondanks „een verwantschap als auteur” vindt hij Schama te veel een „verbaasde rondleider in een rariteitenkabinet”. Het verleden is „misschien wel ver, maar niet noodzakelijk verbazingwekkend”, zegt hij.

Zijn keuze om in 1955 in Leiden geschiedenis te studeren was een negatieve; talen, theologie en rechten vielen af en geschiedenis bleef over, hoewel hij „geen bijzondere belangstelling of gevoeligheid voor het verleden” had. Zijn proefschrift, Soldaat en krijger, over Franse oorlogsideeën vóór 1914, noemt hij nu „een amateuristisch boek zonder onderzoekshypothese”.

Verdeel en heers, zijn internationale standaardwerk over de koloniale deling van Afrika (1991), kwam er alleen omdat hij ,,onverwacht” werd uitgenodigd in Princeton te komen werken. Zijn essaybundels, zoals Vele ideeën over Frankrijk (1987) en Oorlog lost nooit iets op (1993) waren het idee van zijn uitgever, zegt hij. Zelf zag hij er eerst niks in.

‘Opstellen’ noemt hij ze veelzeggend. Om eraan toe te voegen dat er geen verschil is tussen een column – hij schreef er acht jaar een voor deze krant – en een wetenschappelijk project. „Eerst zoek ik, dan denk ik na, en als ik ben uitgedacht, probeer ik het zo helder mogelijk op te schrijven.”

Tien jaar geleden ging Wesseling met emeritaat als hoogleraar algemene geschiedenis in Leiden, waar de Europese geschiedenis van na 1870 zijn specialisme was. In 2002 stopte hij ook als rector van het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) in Wassenaar, een baan die hij in 1995 – „tot mijn eigen verbazing” – kreeg aangeboden.

Maar hij speelt geen golf, zoals andere pensionado’s, zegt hij, „en dan heb je voor alles tijd”. Sindsdien verschenen zes boeken, waaronder zijn briefwisseling met de Groningse historicus en „geestverwant” E.H. Kossmann; de reeks Plaatsen van herinnering, waarvan hij hoofdredacteur was; een biografie van zijn vroeggestorven vader; en een boek over De Gaulle, De man die nee zei.

Komende maand viert Henk Wesseling zijn 75ste verjaardag. Hij zegt dat zijn geheugen vroeger beter was. Over gastronomie schrijft hij niet meer en hij geniet sowieso minder van eten. Maar bij een gin-tonic („Easy on the T”) in zijn werkkamer in Oegstgeest maakt hij zich nog steeds druk. Op de quasinonchalante, een tikje bekakt-afstandelijke manier, die volgens hemzelf bij zijn ‘Leidse’ stijl hoort.

Zo komen die middag onderwerpen voorbij als „het negentiende-eeuwse verzinsel van de natiestaat”, en wat hij de „groeistuipen” van het Europese project noemt. Hij foetert op het academische landschap – „Ik ben altijd tegen de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten geweest. Tégenwerkende universiteiten moeten we hebben. Concurrentie! Net als in Amerika.”

En hij benadrukt nog eens dat zijn werk altijd begint met vragen stellen. Zoals over de scramble for Africa in de negentiende eeuw. „Hoe kon het dat landen waaronder kleintjes als België en Portugal in dertig jaar een heel continent, groter dan China, onder de voet liepen en verdeelden? Wat betekende het eigenlijk als een land op de kaart rood (Engels), blauw (Frans) of geel (Duits) was geworden? Was er dan iets gebeurd of niet? Zulke vragen.”

En hij verdedigt vurig het grondrecht van historici om het allemaal anders te doen en te zien. „Om met de koning van Pruisen te spreken: ‘Jeder soll nach seiner Façon selig werden’. Ik ben tegen alles wat de vrijheid van meningsuiting van historici belemmert”, zegt hij. „Het wordt steeds erger. Eerst stelde het Franse parlement alleen vast dat de Armeense genocide een misdaad tegen de menselijkheid was. Maar het wordt anders als je iemand die het wil ontkennen wilt bestraffen. En nu is er in Brussel ook al een lobby voor.”

In de Franse wet staat ook dat slavernij een misdaad is tegen de menselijkheid.

„Niemand ontkent dat slavernij een zwarte bladzijde is. De vraag is niet of slavernij goed of fout was, maar wat je doet met een onderdeel van het verleden.

„In Nederland vragen de nazaten van de slaven om aandacht. Daar ben ik voor. Elke bevolkingsgroep heeft recht op zijn eigen geschiedenis. De arbeidersbeweging heeft geleid tot de sociale geschiedenis. De katholieken eisten hun verleden op, patrimonium nostrum. Nu dus de afstammelingen van de slaven, en ongetwijfeld gebeurt dat straks bij de immigranten. Maar het instituut dat de slavernij bestudeert, het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee), wordt opgeheven. Dat lijkt me verkeerd.”

In Nederland gaan stemmen op dat koningin Beatrix in 2013, als slavernij officieel 150 jaar is afgeschaft, excuses moet aanbieden.

„Nederland heeft spijt betuigd over de politionele acties maar geen excuses aangeboden. Uit angst dat er betaald moet worden. Wat is het verschil? Je meent het, of je meent het niet. Maar je kan je niet door iemand laten dwingen excuses aan te bieden. Hoe kan de koningin trouwens excuses aanbieden? Haar voorvader [koning Willem III, red.] heeft de slavernij afgeschaft, rijkelijk laat, maar toch.

„Voor het welzijn van een natie is het goed om te vergeten en zelfs je te vergissen, heeft de Franse filosoof Ernest Renan gezegd. L’oubli et même l’erreur. Als Frankrijk was blijven hangen bij de Bartholomeusnacht, de protestantenmoord, zou het nooit een natie kunnen zijn geworden. Veel landen laten de doos van Pandora dicht, anders heb je zo een burgeroorlog. Neem Ghana. De Fante leverden slaven aan de Europeanen, maar haalden ze bij de Ashanti. Ghana gaat heel voorzichtig met die erfenis om, en terecht. Het is heel gevaarlijk om alles te willen onthouden.”

Nederland moet dus vergeten?

„De nabestaanden zouden moeten zeggen: we zijn Nederlander en we gaan nu verder.”

Overal worden canons geschreven die tegen het vergeten gericht lijken te zijn. Waar komt de behoefte vandaan de geschiedenis vast te spijkeren?

„Het echte probleem is de canon van de wereldgeschiedenis. Vroeger was het tamelijk vanzelfsprekend wat je moest weten: de hoofdlijnen van de geschiedenis van Europa. Die van Amerika werd er ook nog ingestopt, meestal vanaf de Onafhankelijkheidsoorlog. Veel Franse revolutie, een paar bladzijden China. Dat kan niet meer, dat voelt iedereen. Maar we kunnen er evenmin iets nieuws tegenoverstellen. Het kan dat er verschillende canons komen voor verschillende ‘cultuurkringen’, zoals een Europese of een Chinese, waarin ze ruimte maken voor elkaar.

„Een tweede probleem is dat in Nederland veel kennis over het vaderlandse verleden is weggezakt. Kamerleden die denken dat Willem van Oranje bij Dokkum is vermoord. Feitelijk geschiedenisonderwijs is vervangen door thema’s. Het ene jaar moest iedereen alles van [vrouwenrechtenvoorvechtster, red.] Aletta Jacobs weten en het jaar erna van Mao Tse Toeng. Wat heeft dat in godsnaam met elkaar te maken?

„Als zelfs de elite niet meer weet wat tot de vaderlandse geschiedenis behoort, krijg je een reactie. Zoals de roep om een Nationaal Historisch Museum. Dat leek mij een uitstekend project, maar het idee is al ouder. De eerste canon stond in het vorige paspoort, dat zat vol plaatjes van grote mannen uit de vaderlandse geschiedenis. Of misschien zijn Jan en Annie Romein er met hun Erflaters van onze beschaving, hun portretten van belangrijke Nederlanders, eind jaren dertig al mee begonnen.”

Een gesprek met Wesseling heeft iets van déjà vu, ook al heb je hem nog nooit gesproken. Vertrouwde figuren duiken op: De Gaulle, Dreyfus, Renan, Thatcher, die hij „een Britse gaulliste” noemt. Maar Wesseling draait zijn personages als het ware in het licht, waardoor je telkens een ander aspect ziet. Dat geldt ook voor zijn ‘grote vragen’. Hoe gaat het verenigde Duitsland met zijn macht om? Hoe worstelt Frankrijk met zijn verloren status als grote mogendheid? Die vragen zijn nog net zo actueel als in het Europa van 1870, en hij stelt ze in zijn werk voortdurend, maar steeds net iets anders.

„Europa is nog nog nooit zo rijk geweest”, zegt hij, „maar het is evident dat het economisch en politiek in een fin de siècle zit”. Volgt een Wesselingiaans terzijde over hoe „opvallend” het is dat het „Europese culturele pessimisme” van de late negentiende eeuw nu ontbreekt. Om daarna alsnog zijn punt te maken: „Als Europa hoopt een speler van wereldformaat te kunnen zijn, moet het daar nu ernst mee maken.” Of dat lukt, is wel de vraag, want „het veronderstelt een zekere eenheid”.

Niettemin schreef u dat het afnemend belang van de natiestaat ‘onomkeerbaar’ is.

„Het kan zijn dat ik me vergist heb. Dat het in Nederland nu zo wordt gearticuleerd door Wilders en Roemer, en in toenemende mate door Rutte, dat had ik niet verwacht. Natiestaten zullen er voorlopig zijn, met rechten en plichten, en met macht over hun onderdanen, die dat min of meer legitiem zullen vinden. Maar ik geloof ook in pluriforme identiteiten, en dingen regelen op verschillende niveaus.

„Eén superstaat lijkt me onzin. Het regionalisme is daarvoor ook een te sterke tegenkracht. In Spanje opereert Catalonië bijna als zelfstandige staat. België is de facto gesplitst. Schotland heeft eigen bevoegdheden gekregen. Duitsland heeft een federale structuur; dat vangt veel problemen op. Daar is Beieren altijd nog een machtige identiteit. Het blijft de vraag of we de natiestaat de komende tien, vijftien jaar bij elkaar houden. Ik geloof dat er meer centraal bestuur in Europa komt.”

Dan moeten Duitsland en Frankrijk een compromis sluiten, bijvoorbeeld over de pensioenleeftijd.

„Dat is tot nu toe altijd gebeurd. Ik denk niet dat er voor president François Hollande veel toekomst ligt in hoofd worden van een zuidelijke liga van klagende landen.”

Van J.L. Heldring kreeg u het verwijt idealistisch te zijn. Europa produceert het nationalisme dat het moest overstijgen, schreef hij. Dat is sterker geworden.

„Met alle respect voor Heldring, maar natuurlijk roep je tegenkrachten op als je een richting kiest. Is dan de les: dus minder Europa? We hebben veel meer Europa dan in 1957. Dat heeft niet geleid tot nationalistische reacties, tot voor heel kort. Omdat de mensen niet vonden dat het ze schade deed. Niemand zei: je moet minder Europeaan worden en meer Duitser. Europa heeft trouwens nooit iets mogen doen aan de vorming van Europese burgers, behalve aan de mobiliteit van studenten.”

Maar is er zoiets als een Europese identiteit?

„Ik zie niet in waarom je de Europeanen niet Europees kan maken. De Gaulle zei het en Thatcher zei het hem bijna woordelijk na: de Fransen zijn Frans en de Britten Brits. Maar De Gaulle deed alsof die Franse natie er altijd geweest is. Dat is niet zo. In de zeventiende eeuw had je helemaal geen Franse natie; een minderheid sprak Frans. Je had wel een staat maar geen natie. De Franse revolutie en de Romantiek in Duitsland hebben de natiestaat geschapen. Soms was er wel een staat en geen natie, soms wel een natie en geen staat. Maar het is niet zo dat natiestaten eeuwig zijn.”

Thierry Baudet betoogde, onder meer in deze krant, dat Europa een imperium is en dat imperia oorlogen veroorzaken.

„Baudet kiest een ideologisch standpunt. En hij heeft de begrippen imperialisme en nationalisme verschrikkelijk door elkaar zitten klutsen. Iedereen die nationalistisch is en daarna gaat veroveren, die zou dan opeens niet meer nationalistisch maar imperialistisch zijn? Ik kan daar geen touw aan vastknopen.

„Je kunt proberen te beschrijven wat de Europese gemeenschap aan goeds of fouts heeft gedaan, maar niet met de twee meest misbruikte begrippen uit de Europese geschiedenis. Ik wil niet vervelend doen, want ik ben bevriend met zijn grootmoeder en was bevriend met zijn grootvader [historicus Henri Baudet, red.], maar het heeft wel iets van: kijk mij eens! Het is een vorm van aandacht vragen. En krijgen.”

Buiten klinken harde stemmen en gekletter van ladders. Het zijn de Poolse schilders die Wesselings huis een opknapbeurt geven. Symbolische onderbreking. ‘De Poolse klusjesman’ toonde voor het eerst dat de Europese solidariteit niet oneindig was. Het is nu zelfs denkbaar dat een land als Griekenland de ‘Europese familie’ verlaat.

„Ik vermoed dat er een Europa van meerdere snelheden zal ontstaan”, zegt hij. „Er werd altijd gezegd: het is ondenkbaar dat het land waar nota bene de democratie is uitgevonden niet in de Europese gemeenschap komt, en dan kwam de kwestie met die kolonels er nog bij. Er bestond een cultureel idee van Europa: vechten voor westerse beschaving, christendom, humanisme, sociale rechtvaardigheid. Dat was een soort geloof en daar paste Griekenland goed in. Maar niemand wist wat die Grieken nu precies waren.

„Het is natuurlijk een boutade, maar het komt door ‘de mythe van het gymnasium’, waardoor we ze hebben geïdealiseerd. Er was een volk, half Turks, half Macedonisch en dat noemde zich Grieken. Volstrekt onbetrouwbaar, altijd geweest, tot in de diepste oudheid! We hebben ons laten aanpraten dat het helden waren.

„Wie had ooit gedacht dat we de godganse dag over ze moeten praten? Maar in elk geval weten we nu allemaal wat het is om in Europa te zitten. Je kunt niet meer zeggen: wat doet het ertoe. Maar: ik ben geneigd te denken dat het een groeistuip is. De Amerikanen hebben hun Burgeroorlog gehad, dat is ook niet niks.”

Wesseling staat op en laat zijn jongste project zien: een stapeltje boeken op zijn bureau, met overal briefjes tussen de bladzijden, want op computers heeft hij het nog steeds niet. Zijn nieuwe hoofdpersoon wordt de schilder Ary Scheffer (1795-1858), die in Frankrijk veel beroemder is dan in Nederland. Het wordt, opnieuw, een panorama van Wesselings lievelingsland en -tijdperk: de Franse negentiende eeuw, maar nu door het prisma van Scheffer en diens politiek actieve familie, die „op wonderlijke wijze raakt aan alle grote kwesties, zoals de scheiding van kerk en staat, en de rol van het leger”.

Het sluit ook de cirkel. Eén Scheffer-nazaat, beroepsmilitair Ernest Psichari, die oorlog „een onuitsprekelijk gedicht van bloed en schoonheid” noemde, speelt al een hoofdrol in Wesselings proefschrift.

„Het is een experiment”, zegt hij, met een lachje. „Misschien wordt het een drama, en misschien wel een aardig boek.” Wanneer het uitkomt? „Er is geen deadline. We leven in gratis tijd en het is allemaal meegenomen.”