Het goud van Sri Lanka groene

Sri Lanka levert niet alleen thee van topniveau. Het schilderachtige eiland is ook een toeristisch paradijs.

De eerste ontmoeting met de theepluksters van Sri Lanka komt geheel onverwacht tijdens een heerlijk eenzame wandeling net na zonsopgang. Vanuit het schilderachtige dorpje Ella ben ik op weg naar Little Adam’s Peak, een heuveltop die een mooi zicht op de indrukwekkende ‘Ella-kloof’ zou moeten bieden. Op een groene heuvelflank aan de overkant zie ik de waterval waar ik een dag eerder nog ben langsgereden op weg naar mijn hotel. Nu pas merk ik dat ambitieuze landbouwers op de steile flank naast de waterval enkele terrassen vol bonenstruiken aangelegd hebben. Enorm sfeerrijk, maar misschien toch niet zo praktisch.

Tijdens mijn ochtendwandeling wordt snel duidelijk dat de theestruik koning is in deze regio, die bekendstaat als het ‘centrale heuvellandschap’ van Sri Lanka. Via sierlijke haarspeldbochten wandel ik langs rijengeplukte theestruiken. Tussen al dat groen verrijst in de verte het witte silhouet van een verlaten theefabriek. Op wat vogelgezang na heerst hier stilte. Zelfs een anders zo luidruchtige tuktuk zoeft me geruisloos voorbij: om dure benzine te besparen heeft de chauffeur in de afdaling de motor van zijn driewieler afgezet.

Nadat een vriendelijke dorpeling mij een binnenweg tussen de theestruiken heeft aangewezen, zie ik eindelijk de top van Little Adam’s Peak liggen. Het is hier – op de rotsachtige weg naar boven – dat ik de eerste theepluksters in hun kleurige sari’s kruis. Ze zijn op blote voeten op weg naar hun werk. Ik herken hen aan de nog lege oogstzak die via een riem over het voorhoofd op hun rug hangt.

De theepluksters vragen glimlachend – waarbij hun gehavende gebit zichtbaar wordt – of ik geen foto van hen wil maken. Al snel volgt een voorwaarde: ‘Money, money?’ Vervelend, maar niet onbegrijpelijk. Bijna alle theepluksters behoren tot de hindoeïstische tamilminderheid van het overwegend boeddhistische eiland. Deze als harde werkers bekendstaande ‘plantagetamils’ – zoals ze ietwat denigrerend genoemd worden – behoren tot de armste bevolkingsgroepen van Sri Lanka. Hun bouwvallige huisjes in het geïmproviseerde dorp iets verder langs de weg maken dat pijnlijk duidelijk.

De plukkers zijn afstammelingen van de tamils die de Britse kolonisten in de negentiende-eeuw vanuit Zuid-India naar Sri Lanka brachten om te helpen bij de koffieoogst. Toen een plantenziekte de koffieplantages verwoestte, lanceerde een vooruitziende Brit in 1867 de eerste theeplantage in Sri Lanka. Het klimaat bleek wonderwel geschikt voor thee, en de rest is geschiedenis. ‘Ceylon tea’ – zoals de thee van het eiland nog steeds bekendstaat met de oude naam van Sri Lanka – behoort tot de allerbeste theesoorten en vindt wereldwijd aftrek. De bijnaam ‘het groene goud’ van Sri Lanka is dus zeker niet gestolen.

Parel

Nu sinds 2009 eindelijk een einde is gekomen aan de burgeroorlog, hoopt Sri Lanka naast thee-export ook opnieuw inkomsten te halen uit het toerisme. Voor een compact eiland – anderhalf keer de omvang van Nederland – biedt de ‘Parel van de Indische Oceaan’ opvallend veel diversiteit: naast de groene pracht van het centrale heuvelland bijvoorbeeld de boeddhistische heiligdommen en eeuwenoude hoofdsteden in de ‘culturele driehoek’, en de witte stranden vol palmbomen waar paalvissers in het ondiepe water naar vis zitten te hengelen.

Sri Lanka kan ook pronken met een boeiende koloniale erfenis, en die wordt misschien nergens duidelijker dan in de theeplantages van het heuvelland. Veel plantages en hun subdivisies dragen nog altijd Britse of Schotse namen zoals Somerset en Edinburgh. Het ankerpunt van het theegebied – het door Britten gestichte stadje Nuwara Eliya – telt talloze Victoriaanse villa’s, hotels en zelfs een chique golfclub. De Britse kolonisten vonden hier op ruim 1.800 meter hoogte koelte en verpozing. Ze noemden het mijmerend ‘Little England’, al wordt de nostalgische sfeer vandaag verstoord door de chaotische nieuwbouw in het stadje.

De Britten lieten nog een andere erfenis na: de trein. Een spotgoedkope treinrit door het prachtige heuvellandschap is een van de hoogtepunten van een bezoek aan het theegebied. Het is meteen ook een reis terug in de tijd. Dat wordt snel duidelijk in het charmante stationsgebouw in Ella. Een bediende zit er gebogen over een boek met reusachtig grote bladen waarop hij nauwgezet aantekeningen maakt over het aantal passagiers en het minimale treinverkeer dat hier passeert.

In het kantoor van de stationschef staat een prehistorisch apparaat dat iets wegheeft van een overmaatse kassa. Het is geen stoffig museumstuk, maar een stukje Britse spoorwegtechnologie dat na honderd jaar nog altijd dienst doet. De machine bevat een koperen schijf die de conducteur van de aankomende trein meekrijgt in ruil voor een schijf uit het vorige station. Zonder de uitwisseling van de schijven kan de trein niet vertrekken. Het moet de veiligheid helpen garanderen op de enkele spoorlijn.

De rit naar Haputale voert door een glooiend landschap vol palmbomen en langs rijstvelden en theeplantages waarin zwoegende arbeiders even de rug strekken om naar de trein te wuiven. Bij aankomst in Haputale neem ik een tuktuk richting het befaamde Lipton’s Seat, de vroegere uitkijkpost van theemagnaat Thomas Lipton. Omdat op deze hoogte de beste thee groeit, is bijna heel het landschap beplant met theestruiken, tot en met enkele erg steile hellingen. Ik kan niet anders dan meevoelen met de pluksters die daar onder de brandende zon staan te zwoegen voor een basisloon van 2 euro per dag.

Op weg naar Liptons zitbankje passeer ik de 122 jaar oude Dambatenne-theefabriek. Het grote gebouw ziet er nog steeds hetzelfde uit als in de dagen van oprichter Lipton. Een van de hoofdtoezichthouders loopt rond met een hoedje, korte broek en witte tot de knieën opgetrokken kousen. „Nog steeds het traditionele kostuum”, vertelt hij trots. Hij legt me ook uit waarom ik alleen vrouwen thee zie plukken. „Vrouwen hebben zachtere handen en meer geduld. Ze zijn productiever dan mannen.”

Theeplukken is precisiewerk: van elke tak mogen alleen de bovenste twee blaadjes en de knop geplukt worden. Zij leveren de beste kwaliteit. Bovendien kan de oogst op die manier het hele jaar doorgaan, waarbij elke struik vier- tot vijfmaal per maand geplukt wordt. In Sri Lanka gebeurt dat nog met de hand en blijft theeproductie dus erg arbeidsintensief.

Om te leren hoe de theeblaadjes in de fabriek gedroogd, gemalen en gezift worden, stellen sommige fabrieken hun deuren open voor het publiek. Tijdens een rondleiding door de Glenloch-fabriek wordt duidelijk dat niet alleen het gebouw maar ook de machines stokoud zijn. De brede grijns van verkoopmanager Nayeem verraadt dat hij trots is op het feit dat de machines al honderd jaar oud zijn. Wat opvalt: ook hier zijn vooral vrouwen aan de slag. Waar hangen alle mannen uit?

Toeristen kunnen ook overnachten in een voormalige theefabriek – het Heritance Tea Factory-hotel – of in het op een heuveltop gelegen Amaya Langdale-hotel, dat ooit de bungalow van de toezichthouder van een theeplantage was. Hoog op een heuvelflank tegenover het Langdale-hotel passeert af en toe de nostalgische trein met zijn koperen schijf. Het verre gezucht van de locomotief is op dat moment zowat het enige geluid dat door de vallei weerklinkt.