De bar waar de tijd niet stil kán staan

The Beanery staat in een Amsterdams atelier voor restauratie. De poedel heeft amper nog haar op het lijf, en de handtassen blijken kaalgeplukt.

Het is misschien wel de bekendste bar van Amsterdam, The Beanery, van de Amerikaanse kunstenaar Edward Kienholz, en hij is al meer dan acht jaar gesloten. Maar stamgasten zullen zich nog goed kunnen herinneren hoe bedompt het er rook en hoe vrolijk de muziek hier klonk. Hoe je je een weg moest banen langs de vaste klanten aan de bar, onder wie twee mannen in overalls van de firma Bekins en een meisje met lang blond haar en een gestreept truitje. Aan de andere kant van de toog las barkeeper Barney steevast de krant onder het genot van een sigaretje, terwijl een dame met een bontjas en een poedel zijn aandacht probeerde te trekken. Helemaal achterin zaten wat mensen aan kleine tafeltjes uitsmijters te eten.

The Beanery, een cafeetje van nog geen twee meter hoog en een kleine zeven meter lang, is een van de populairste kunstwerken uit de collectie van het Stedelijk Museum. Kienholz maakte het in 1965 naar een bestaand café in Los Angeles, waarna het Amsterdamse Stedelijk de sculptuur in 1970 aankocht. The Beanery werd direct een publiekslieveling en was vrijwel altijd in de vaste opstelling te zien. Dus toen het museum in 2004 haar deuren sloot voor een langdurige verbouwing, was het juist dit werk dat het meeste gemist werd.

Nu staat The Beanery in het depotgebouw van het Stedelijk, in het zogenaamde ‘multifunctioneel atelier’. Momenteel wordt het kunstwerk door een team van restauratoren ingrijpend onder handen genomen, zodat het straks weer in goede staat in de vaste opstelling kan komen te staan. De bar is daartoe ontmanteld in zes losse delen die naast elkaar in de ruimte staan. Ook het plafond is gedemonteerd, waardoor opeens daglicht het anders zo donkere café binnenstroomt.

Restaurator Anna Laganà, gespecialiseerd in kunststoffen, heeft de afgelopen maanden de vele honderden onderdelen van het kunstwerk systematisch in kaart gebracht. Op haar bureau staan dikke mappen vol conditierapporten van de meubels, de kleding, de asbakken, de menukaarten en zelfs de kauwgom die Kienholz in zijn assemblage verwerkte. „Veel van de objecten die hij gebruikte, waren al tweedehands”, zegt Laganà. „Het meubilair haalde hij op rommelmarkten, dat mag dus best oud en versleten zijn. Maar de servetten horen niet kapot te zijn, en de kleding van de gasten ook niet. Dus die gaan we restaureren.”

Door de jaren heen zijn wel kleine onderdelen van The Beanery hersteld, maar nooit eerder werd zo uitvoerig onderzoek naar het werk gedaan, inclusief een technische analyse van een aantal materialen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. The Beanery stond bijna altijd op zaal, en de restauratieateliers van het Stedelijk waren bovendien niet groot genoeg om het werk te herbergen. Nu, door de langdurige sluiting van het museum en de bouw van het nieuwe depot, is zo’n grootscheepse restauratie toch mogelijk.

Speelgoedbroodje

Zwart-witfoto’s uit het jaar van de aankoop helpen Laganà bij haar onderzoek. Ze wijst naar een bril die op de bar ligt. „Een van de poten van het montuur ontbreekt. Maar op de oude foto’s zie je dat die poot er oorspronkelijk wel was. Dus die willen we vervangen.” Het rubberen speelgoedbroodje op een van de tafels, zo wijzen de foto’s uit, stond vroeger mooi bol. Nu is het rubber verkruimeld en het broodje als een plumpudding in elkaar gezakt. Laganà: „Rubber reageert op de zuurstof in de lucht. Dus het verval gaat door. Dat is niet te stoppen, tenzij je het luchtdicht verpakt. Maar dan ga je tegen het originele ontwerp van de kunstenaar in. Zolang het nog herkenbaar is als broodje, laten we het zo.”

Vooral op ‘handhoogte’ is het kunstwerk aardig aangetast. Bezoekers zijn zo vaak langs de rokken van de dames geschuurd dat er gaten in vielen. De poedel heeft nauwelijks nog haar op zijn lijf. En na een bruikleen aan een internationale tentoonstelling bleek de papieren of nep-raffia decoratie van een handtas deels kaalgeplukt. Ook zijn er in de loop der tijd objecten uit de bar gestolen – geen van de Marlboro-sigaretten is nog origineel. Maar bezoekers lieten ook spullen achter. Op een tafel in het atelier liggen die ‘niet originele’ objecten nu netjes uitgestald: een muntje van tien lire, een kassabonnetje, een flessendop.

De grootste uitdaging van de restauratie is de vloeibare kunsthars waarmee Kienholz zijn hele installatie heeft overgoten. Door die vernislaag wilde de kunstenaar zijn scène als het ware bevriezen in de tijd. Maar de polyester hars is in de loop der jaren steeds donkerder geworden. Het telefoonboek bijvoorbeeld, lijkt wel zwartgeblakerd. „De hars die Kienholz gebruikte, bestond uit twee componenten”, legt Laganà uit. „Maar de kunstenaar heeft die componenten niet goed gemixt. Daardoor is de hars niet goed uitgehard en altijd plakkerig gebleven. En dat trekt veel vuil en stof aan.”

In 1983 heeft Kienholz, samen met Stedelijk-restaurator Kees Aben, zelf nog een poging gedaan zijn Beanery schoon te maken. Daarna heeft hij er opnieuw kunsthars overheen gegoten, en deze keer hardde die hars wel goed uit. Laganà schijnt met ultraviolet licht op een flesje tomatenketchup om het verschil te laten zien. De ene laag glimt en is gemakkelijk af te nemen, de andere laag is dof en levert haar de grootste problemen op. „Vooral op organisch materiaal zoals de kleding. Daar krijg je het niet meer vanaf.”

Weduwe

Inmiddels is Kienholz overleden en kunnen de restauratoren niet meer vragen hoe hij het zelf zou hebben opgeknapt. En dus wordt per object zorgvuldig afgewogen wat ermee moet gebeuren. „Die authenticiteitsvraag is voor ons heel belangrijk”, zegt Sandra Weerdenburg, die leiding geeft aan het restauratieteam. „Je probeert zo veel mogelijk terug te gaan naar de bronnen. In restauratieonderzoeken zijn daarom naast restauratoren ook natuurwetenschappers en kunsthistorici betrokken. We willen heel graag de mening van de kunstenaar over bepaalde zaken weten. We vergaren informatie via zijn galerie, en we willen ook heel graag Kienholz’ weduwe nog wat vragen stellen. Waar nodig overleggen we ook met andere musea.”

Kienholz heeft het werk nog meerdere malen bezocht sinds het Stedelijk het had aangekocht, vertelt Weerdenburg. „Dat het werk steeds bruiner werd heeft hij gezien en geaccepteerd. We zouden de harslaag plaatselijk wel kunnen verdunnen en kunnen verwijderen, maar dat kan niet overal en dan ontstaat er een disbalans. Ook doe je de betekenis van het werk onrecht aan, want de laag is door de kunstenaar aangebracht en heeft een functie: Kienholz wilde de losse delen ermee verbinden. In het geval van het telefoonboek doen we het wel, om het weer herkenbaar te maken als telefoonboek. Anders zou de oorspronkelijke betekenis van het object verdwijnen. Het is de kunst om de juiste balans te vinden tussen restaureren en zo laten.”

Tegenwoordig, vertelt Weerdenburg, wordt door musea bij aankopen veel meer aandacht besteed aan de conservering ervan. „We zijn daarin veel systematischer geworden. Wanneer we moderne kunst aankopen, doen we nu standaard interviews met de kunstenaars, bijvoorbeeld over de gebruikte materialen. Dit om vooruit te lopen op toekomstige problemen.”

Het vervangen van onderdelen ligt moeilijk in de restauratiewereld, weet Weerdenburg. Toch denkt ze dat Kienholz dat zou hebben gewild. „Hij gaf niet voor niets reserveonderdelen mee.” Ze wijst op een plastic gebakken ei dat nog netjes in de cadeauverpakking zit. „Dat kunnen we straks zo gebruiken. Ook de windsels die Kienholz gebruikte om zijn vrienden in gips af te gieten, heeft hij meegegeven, inclusief de gebruiksaanwijzingen. Hij voorzag dus dat er in de toekomst onderdelen vervangen zouden moeten worden.”

Naar ontbrekende onderdelen die niet door Kienholz werden meegegeven, is het team zelf op zoek gegaan. Een platte Camel-aansteker bleek via eBay nog gemakkelijk nieuw te verkrijgen; die moet nu alleen nog ‘oud’ worden gemaakt met kunsthars en goed aan de bar worden vastgelijmd. En een gevuld flesje Coca-Cola uit 1965 vonden de restauratoren bij een mevrouw in Brabant, die zo vriendelijk was het per post op te sturen. Kosten: slechts zeven euro.

Over één ding was Kienholz heel duidelijk: de geur van The Beanery. Weerdenburg draait een klein wit potje open waar de kunstenaar ‘SMELL’ op heeft geschreven. Er komt een penetrante stank uit die inderdaad doet denken aan een uitgewoonde kroeg na sluitingstijd. „Dit potje heeft hij meegeleverd als referentie. Het is een mix van ranzig vet, as, bier, mottenballen en zijn eigen urine.” De restaurator vertelt hoe ze de afgelopen jaren, voor iedere presentatie weer, de geur heeft nagebootst. „Door onder andere asbakken uit het museumrestaurant te legen en die te mengen met een flesje bier.” De urine werd om hygiënische redenen vervangen door ammonia en voor het vet bakte ze thuis spek. Ze grinnikt. ,,Het vet ging naar The Beanery, het spek aten we zelf op.”

The Beanery is vanaf 23 september, als het Stedelijk Museum eropent, weer te zien in de vaste opstelling. Inlichtingen: www.stedelijk.nl