Chinezen offeren zich niet zomaar meer op voor moederland

Na de Spelen in Peking ontwikkelde China zich van een groot naar een sterk sportland. Van kwantiteit naar kwaliteit. Dat moet ook wel, want ouders staan hun enig kind niet meer zomaar af aan de ‘atletenfabrieken’. „Deze kinderen moeten zich ook happy voelen.”

Snottebellen en tranen stromen over de rood aangelopen wangen van Xiao Yun, kleine Wolk. De strekoefeningen aan het klimrek doen pijn en zij is aan het eind van een lange dag doodop. Haar vriendinnetje Yan, dat ‘hard’ betekent, bungelt met een arm aan het rek en bibbert van inspanning. „Wie veel zweet, investeert in vreugde”, leest een slogan aan de muur van de Minhang-district Kindersportschool in Shanghai.

Zweten doen de kleuters, maar ze lijken in hun gekleurde turnpakjes eerder op verlepte bloemen. De hoofdcoach, mevrouw Mao Tiao, ziet de worsteling van Wolk, Hard en de andere meisjes en commandeert een van haar assistent-coaches te stoppen: „Het is genoeg geweest voor vandaag”.

Pardoes laten de meisjes zich vallen. Ze rennen naar hun wachtende ouders of opa’s en oma’s. De moeder van kleine Wolk omhelst haar dochter, maar maant haar ook onmiddellijk te stoppen met grienen. Na een paar slokken thee en happen van een rijstwafel lacht Wolk weer. Ze rent naar buiten, de vrijheid in.

Ook tijdens het derde en laatste bezoek aan deze kraamkamer van toekomstige olympiërs is de stemming opgewekt, de sfeer ontspannen, ondanks de zichtbaar pittige inspanningen die de kleuters tussen vijf en zeven jaar moeten leveren. Zij zijn uit alle kleutergroepen van de wijk Minhang in Shanghai geselecteerd omdat zij over atletisch potentieel beschikken, flexibel en evenwichtig zijn en sterke botten hebben.

Moet wel, want zij trainen driemaal per week twee uur na een schooldag van zes uur, inclusief lunch en rust in de slaapzaal van de uitstekend uitgeruste school in deze uitgestrekte nieuwbouwwijk met een paar miljoen ambtenaren, jonge professionals en academici.

Mao Tiao (62), een voormalige turnster, wordt geholpen door tien assistent-coaches, allemaal voormalige leden van het provinciale Shanghaise of het nationale team. Iedere coach werkt met een groepje van acht tot tien kleuters, die al heel aardig kunnen flikflakken, koprollen en al over geprononceerde arm- en buikspieren beschikken.

Sommige meisjes dwarrelen als vlinders over de hoge evenwichtsbalk, jochies draaien al vloeiende salto’s aan de ringen of maken met strakke, geconcentreerde gezichten indrukwekkend hoge sprongen. „Het moet in deze fase vooral leuk en ontspannen blijven”, zegt Mao Tiao, die de komende weken in Londen aantreedt als een van de internationale juryleden. „Deze kinderen moeten zich ook happy voelen.”

Zij doorspekt haar Chinees met Engelse atletiektermen en gebruikt vaak het woord ‘happy’. Kinderen die zich prettig voelen bij de trainingen willen terugkomen, weet zij. En minstens zo doorslaggevend is de gemoedstoestand van de ouders die – zeker in Shanghai – „happy” moeten zijn willen zij meewerken.

De tijd dat in China ouders hun enig kind zonder sputteren afstaan aan het op Sovjet-leest geschoeide sportsysteem, om tot glorie van land en partij op medailles te jagen, is aan het verstrijken. Bovendien is China helemaal niet zo’n sportief land. Chinezen zijn eerder tv-kijkers dan deelnemers.

„Ouders in China vinden goed onderwijs veel belangrijker dan sport. We hebben geen sportcultuur zoals in de VS. Ze willen dat hun kind liever computer- of bedrijfskunde studeert dan op hoog niveau leert turnen of zwemmen. Iedereen weet dat slechts enkelen van sporten rijk worden”, vervolgt Mao Tiao haar betoog.

Vroeger, zegt zij, waren kinderen en ouders bereid „bitterheid te eten” voor het moederland, maar tegenwoordig ligt dat een tikje anders. Zeker na de golven van negatieve berichten over de donkere kanten van het Chinese sportsysteem zijn ouders huiverig geworden om hun enig kind te sturen naar speciale sportscholen: atletenfabrieken.

Professor Wu Yigang, hoogleraar sportwetenschappen aan de Universiteit van Shanghai, bevestigt deze trendbreuk. Hij is een van de gezaghebbende criticasters van de zogenoemde „atletenassemblagelijnen”. Wu: „Het aantal officiële sportscholen in China is de afgelopen jaren met 40 procent gedaald naar ongeveer drieduizend, omdat er veel terechte kritiek was en ís op het oude systeem. Dat systeem is nog niet opgeheven, verre van zelfs, maar wordt sinds de Spelen in Peking wel hervormd.”

Professor Wu vervolgt: „In de afvalrace naar de top vallen elk jaar vele tienduizenden leerlingen aan de sportscholen af. Slechts een enkeling bereikt de top. De meesten moeten alsnog hun weg vinden in de maatschappij en vaak worden beloftes over banen bij de overheid niet nagekomen. Ze worden dus opgeleid voor armoede en werkloosheid of een baan bij een productiefabriek.”

Na de Spelen van 2008 in Peking – waar China met 51 gouden, 21 zilveren en 28 bronzen plakken de medaillespiegel aanvoerde – besloten de sportautoriteiten dat China niet langer „een groot atletisch land” moet zijn, maar zich moet ontwikkelen tot een „sterk atletisch land”. Het accent in de opleidingen verschuift van kwantiteit naar kwaliteit.

In de belangrijkste sportscholen van Peking, Shanghai en andere metropolen worden experimenten uitgevoerd met nieuwe opleidingen, waar allroundatleten worden opgeleid. Dat wil zeggen: sporters die ook over een adequate technische- of academische opleiding beschikken. De Minhang-district Kindersportschool maakt deel uit van het experiment en behoort tot een opleidingssysteem, een keten van lagere en middelbare scholen die zijn verbonden met de Jiaotong Universiteit.

Mevrouw Mao Tiao is zelf een product van het oude systeem en durft op gevorderde leeftijd te bekennen dat zij vroeger veel liever pianiste of ingenieur dan turnster had willen worden. „Er was geen keuze, het was een hele andere tijd”, zegt zij over de periode dat Mao Zedong regeerde en sport een „spiritueel nucleair wapen” van de communistische partij was. Pas na haar actieve loopbaan kwamen de beloningen: gesalarieerd werk als hoofdcoach en olympisch jurylid. „Ik heb enorm geluk gehad”, vertelt zij tevreden.

Of er onder de kleuters van de Minhang-district Kindersportschool toekomstige olympiërs bevinden, weet Mao Tiao niet. „Het is nog te vroeg om dat vast te stellen.” Sommigen gaan, dat staat wel vast, door naar de opleidingen voor junioren en senioren aan bijvoorbeeld het Shanghai Fysieke Educatie en Technologie Instituut, de campus waar hordeloper Liu Xiang en ex- basketballer Yao Ming vandaan komen.

Hier wordt, zo blijkt tijdens een bezoek aan de vooravond van de Spelen in Londen, keihard gewerkt door de generaties die in toekomstige nationale en internationale toernooien zullen figureren. Turners en atleten oefenen hier ten minste vijf uur per dag en degenen die kandidaat zijn voor het nationale team nog langer. De sfeer is harder dan op de Kindersportschool. De commando’s, leefregels en aanwijzingen zijn strenger, de selectiecriteria meedogenloos. Het ruikt hier naar zweet, magnesiumpoeder en grote ambities.

„Wang Teng, wat doe je nou! Je wordt steeds slechter en luier”, roept een coach tegen een meisje met paardenstaart dat oefent op de brug met ongelijke leggers. Aan het eind van de dag zit zij in de mensa samen met honderden lotgenoten die hier op de campus wonen. Grote schermen waarop de verrichtingen van de Chinese ploeg in Londen worden gevolgd, staan al klaar.

Wang Teng (17) komt uit een dorp op acht uur rijden van Shanghai en zegt doodmoe te zijn – maar toch tevreden. Zij traint hard voor de provinciale en nationale najaarswedstrijden waarin de turnsters voor het nationale team worden geselecteerd. „Ik heb al zoveel tijd aan mijn sport besteed, ik wil nu ook naar de volgende Spelen.” Haar held is hordenloper Liu Xiang. Als zij zijn status kan evenaren, hoeft zij zich nooit meer financiële zorgen te maken.