Besnijdenis: liever niet

Door een rechtelijke uitspraak in Duitsland is jongensbesnijdenis ook in Nederland onderwerp van publiek debat, onder meer op de Opiniepagina van deze krant. Het draait in Nederland om een relatief kleine groep mannen die veelal uit joodse of islamitische motieven zijn besneden. Maar nu de rechter in Keulen circumcisie ten principale heeft bestempeld als mishandeling, doen argumenten over proportionaliteit amper ter zake.

De vraag is nu of in Nederland besnijdenis op andere dan medische indicatie moet worden afgewezen en ook bij wet verboden. De kwestie raakt de verhouding tussen het grondwettelijk recht op godsdienstvrijheid (artikel 6) en op de onaantastbaarheid van het lichaam (artikel 11).

Joden en moslims vragen zich af wat de vrijheid van godsdienst in de democratische rechtsstaat nog behelst als zij van sommige rituelen moeten afzien, terwijl bijvoorbeeld christenen hun kinderen mogen dopen of anderszins religieus mogen inwijden. In al deze gevallen wordt het kind immers niets gevraagd.

Als circumcisie zou worden verboden, blijven er natuurlijk talloze dragende rituelen over – pesach, chanoeka, ramadan, offerfeest et cetera – maar voor joden en moslims is jongensbesnijdenis sinds mensenheugenis verbonden met hun religieuze identiteit.

Net als bij de behandeling van het wetsvoorstel tegen ritueel slachten voelen joden en moslims zich bij dit debat aangesproken en aangevallen. Dat is vanuit hun perspectief begrijpelijk. Het is goed dat christenen hun moraal, bijvoorbeeld over dood en leven, niet meer in het publieke domein kunnen opdringen. Maar het zou niet goed zijn als atheïsten nu op hun beurt zo zouden gaan domineren.

Godsdienstvrijheid is niet onbeperkt. Alle grondrechten kennen hun beperkingen. Zeker als de ene vrijheid strijdig is met de andere, zoals bij besnijdenis. Want circumcisie is een inbreuk op de onaantastbaarheid van het lichaam, waar het kind niet om heeft gevraagd en, belangrijker, die het op latere leeftijd ook niet ongedaan kan maken. Dat is het fundamentele verschil met pakweg de wijwaterkwast die geen onomkeerbare fysieke tekens nalaat.

Moet besnijdenis daarom ook als mishandeling worden aangepakt, zoals de Duitse rechter opperde? De Nederlandse artsenorganisatie KNMG heeft zich eerder gekeerd tegen ‘niet-therapeutische circumcisie bij minderjarigen’. Maar de KNMG vreest dat een wettelijk verbod, dat – zeer terecht – wel bestaat voor vrouwelijke genitale verminking zoals clitorisbesnijdenis, tot ondergrondse voortzetting van de praktijk zal leiden. De artsenkoepel ijvert voor scherpere voorlichting, waarbij ouders harder worden gewezen op de reële kans op gevaarlijke complicaties bij besnijdenis.

Het wettelijk verbieden van besnijdenis is geen kwestie van zomaar een wet door het parlement loodsen en die vervolgens met het justitiële apparaat handhaven. Het debat over besnijdenis raakt te veel aspecten van de democratische rechtsorde om het zo eenvoudig voor te stellen. Het zou het gevoel bij religieuze minderheden verder voeden dat de besnijdenis eigenlijk vooral wordt misbruikt om een specifieke groep gelovigen te kleineren.

Bovendien: aan wiens wens komt een wettelijk verbod eigenlijk tegemoet? Besneden mannen stappen tot nu toe niet systematisch naar voren, zoals onder seksueel verminkte vrouwen wel gebeurt. Vooralsnog is dialoog zinvoller. In zo’n fase kunnen spijtoptanten uit joodse en islamitische kring een nadrukkelijkere rol spelen.

Het besnijdenisritueel bestaat in Nederland al vele eeuwen. Het staat op gespannen voet met hedendaagse inzichten over geneeskunde en grondrechten en zou beter kunnen verdwijnen. Bij voorkeur door overreding en door middel van discussie in eigen kring.