Zuid-Limburg heeft de achterstand van Rotterdam

Zuid-Limburg heeft grootstedelijke problemen met onderwijs en moet onder het grootstedelijk beleid vallen, vinden Andries de Grip, Paul Jungbluth e.a.

Vaak wordt niet beseft dat Zuid-Limburg zowel qua oppervlakte als aantal inwoners vergelijkbaar is met een stad als Rotterdam. Nog minder bekend is dat het ook kampt met dezelfde onderwijsproblemen als de grote steden. Zuid-Limburg heeft een relatief grote groep scholieren uit kansarme milieus met zwakke schoolprestaties. Deze kansarme leerlingen zitten bovendien vaak bij elkaar in de klas op de basisscholen in bepaalde wijken en scoren vaak lager op hun Cito-toets dan leerlingen met dezelfde intelligentie uit hogere sociale milieus. De talenten van kinderen uit de lagere sociaal-economische milieus blijven onderbenut.

Veel onderwijsproblemen zijn te wijten aan de sluiting van de steenkoolmijnen in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Hoewel de provincie zich enigszins aan de gevolgen heeft ontworsteld, zijn delen van Zuid-Limburg daar nog niet overheen. Nieuwe banen in de commerciële en niet-commerciële dienstverlening bieden onvoldoende werkgelegenheid aan de laag opgeleide autochtone bevolking. Ondanks alle regionale stimuleringsinspanningen blijft het percentage inactieven structureel hoog, vooral in de stedelijke gebieden. In de vele postcodegebieden in Zuid-Limburg die het Sociaal en Cultureel Planbureau nog steeds als armoedegebied ziet, woont meer dan de helft van alle schoolgaande kinderen. Sociaal-economische achtergrond en opleidingsniveau zijn sterk gerelateerd. De schoolprestaties van veel Zuid-Limburgse leerlingen liggen beneden het landelijk gemiddelde; een kwart van de leerlingen presteert zelfs ver beneden dat gemiddelde.

Behalve een grote groep nakomelingen van mijnwerkers (derdegeneratieallochtonen) is er ook een aanzienlijke autochtone achterstandsgroep die wel het Limburgse dialect, maar niet de Nederlandse taal voldoende beheerst. Diezelfde tweetaligheid is ook te vinden onder etnische minderheden in grote steden.

De vergelijking met de grote steden gaat niet op voor de beschikbare extra budgetten voor sociaal beleid en onderwijs. Voor het Rijk bestaat Zuid-Limburg uit achttien merendeels kleine gemeenten. Die vallen niet onder het grotestedenbeleid. Ook Zuid-Limburgse achterstandsleerlingen krijgen zelden extra geld. Dit is extra ongunstig omdat het aantal scholieren daalt in Zuid-Limburg. Benutten van talent begint bij extra geld voor prestatie- en motivatieverbetering, vergelijkbaar met extra geld voor kansarme groepen in de grote steden. Zuid-Limburgse gemeenten moeten zich hiervoor gezamenlijk sterk maken in Den Haag.

Ook buitenschoolse activiteiten zouden moeten worden ondersteund. Veel kansarme jongeren krijgen in hun vrije tijd van huis uit weinig stimulansen. Niet alleen scholen, maar ook bedrijven en andere organisaties moeten hen hierbij helpen.

In het programma ‘Lerend scoren in de wijk’ van voetbalclub MVV fungeren sporters als rolmodel voor (kansarme) jongeren. Door zelfbewustzijn, motivatie en gezondheid te vergroten, hebben deze sporters een gunstige invloed op de leerprestaties van jongeren. Ook kleine en middelgrote bedrijven kunnen bijdragen aan deze activiteiten, omdat zij vaak het sterkst verbonden zijn met de lokale bevolking. Een grotere betrokkenheid van bedrijven bij scholen kan de kloof tussen de vraag naar personeel van bedrijven en het aanbod van schoolverlaters dichten.

Met een gezamenlijke inspanning van overheden, scholen en bedrijfsleven moet het mogelijk zijn om het kwart van de leerlingen dat ver beneden het gemiddelde presteert, te halveren. Kansrijke leerlingen zullen van zo’n extra inspanning automatisch meeprofiteren.

Andries de Grip en Paul Jungbluth zijn hoogleraar en onderzoeker scholing en arbeidsmarkt aan de Universiteit van Maastricht. Dit artikel is geschreven door de Denktank van het Netwerk Sociale Innovatie van de Universiteit Maastricht (zie www.socialinnovation.nl).