Wilskracht maakt echt gelukkig

‘Van nu af aan is je moeder je ergste vijand.’ Dit advies geeft de Koreaanse hoogleraar consumentenwetenschap Rando Kim aan de jeugd in zijn boek Jong, dat in Korea een snaar raakte en een bestseller werd.

Kim maakt korte metten met de Aziatische tijgermoeder waarvan Amy Chua met haar boek Strijdlied van de Tijgermoeder (besproken in Boeken, 05.02.2011) het boegbeeld is. Jongeren moeten de tijd krijgen en vooral nemen om tot bloei te komen en niet blindelings hun cv vol timmeren met diploma’s van prestigieuze universiteiten. Want: uiteindelijk wordt je leven overal door bepaald, behalve door wat je op school hebt geleerd.

Huub Nelis en Yvonne van Sark van communicatiebureau YoungWorks proberen in Over de top juist te bewerkstelligen dat de term ‘uitblinken’ minder besmet raakt. Voor Nederlandse ouders geldt het devies ‘als mijn kind maar gelukkig is’. Nelis en Van Sark stellen de vraag of dat houdbaar is in deze tijd van crisis. Krijgen we straks te maken met de wet van de remmende voorsprong?

Ondanks dit verschil hebben deze twee boeken opvallend veel raakvlakken. De prominente plek die het beroemde marshmallow-experiment in beide boeken inneemt, illustreert bijvoorbeeld dat de Koreaanse en Nederlandse schrijvers het eens zijn over belangrijke voorwaarden voor succes. In dit experiment bleek dat de kleuters die zich een kwartier konden bedwingen met een marshmallow voor hun neus, met de belofte dat ze er daarna twee zouden krijgen, succesvollere volwassenen werden dan de kleuters die het snoep niet konden laten liggen. Om wilskracht gaat het, om zelfcontrole en volharding.

Maar met welke opvoeding kweek je die?

Opvattingen daarover verschillen per cultuur en de verschillen tussen de boeken weerspiegelen dan ook geschiedenis en mentaliteit van Korea en Nederland. De Koreaanse tijgermoeder groeide op in een tijd waarin het bruto inkomen op zestig dollar lag. En al is Korea tegenwoordig de elfde economie van de wereld en ziet het leven er heel anders uit, voor Koreaanse ouders is een vaste baan (liefst als ambtenaar) nog steeds het belangrijkste doel in het leven.

Kim ontmoedigt het ontwikkelen van academische vaardigheden en het opdoen van kennis niet. Hij benadrukt alleen dat jongeren geen haast hebben. Hij maakt een rekensom: als je leven een dag zou zijn, is het nog maar 7.12 uur als je 24 bent. ‘In plaats van een slimme handelaar die recht op een procentje winst af gaat, wil ik dat je een dwaze investeerder wordt die geduldig wacht op alle mogelijkheden die nog in het verschiet liggen’.

Zijn betoog, dat niet al te soepel is vertaald en op sommige punten flink rammelt, is met opvallend veel empathie geschreven – de brief aan een meisje met liefdesverdriet zou je aan elke jongere met een gebroken hart willen laten lezen. Daar zit ’m ook de crux: als Kim het heeft over de universele hindernissen van de jeugd, is zijn boek geschikt voor de Nederlandse adolescent. Maar de passages over de opbouw van loopbaan en cv en de gang van zaken in de academische wereld zijn wel erg specifiek voor Korea.

Voor de Nederlandse jongere is het boek van Nelis en Van Sark geschikter. Zij pleiten als gezegd voor het kweken van excellentie. Wil Nederland kunnen blijven concurreren, dan zal er meer aandacht moeten komen voor leerlingen die met kop en schouders boven de rest uitsteken.

Het boek bevat interviews met politici, wetenschappers en uitblinkende jongeren, veel psychologisch onderzoek over presteren en een schets van de geschiedenis van het sociaal-maatschappelijke en academische klimaat in Nederland. Ook zijn er handreikingen voor jongeren, ouders, leraren en onderwijsinstellingen.

Rode draad: hoe kunnen we ervoor zorgen dat iedere jongere zijn volledige potentieel benut, of dat nu als elektricien, modeontwerper of astrofysicus is? Een van de belangrijkste adviezen is om het zogenaamde ‘talentdenken’ de kop in te drukken: mensen hebben geen vaststaand talent dat hun toekomst bepaalt, maar zijn in staat zich te ontwikkelen.

De makke van Over de top is dat de portee ondersteund wordt met onderzoeken door organisaties als Motivaction en YoungWorks waaruit bijvoorbeeld blijkt dat tachtig procent van de ondervraagde jongeren vindt dat goed presteren een belangrijk doel in het leven is. Probleem met dit soort mentaliteitsonderzoeken is dat nooit duidelijk is wat er precies gemeten wordt. Ook verraadt de vraagstelling soms de aannames van de onderzoekers en stuurt ze zo onbedoeld de uitkomst.

De waarde van het boek zit hem vooral in de gesprekken met jongeren over de betekenis van excelleren. Een meisje dat een honoursvak volgt zegt: ‘Ik merk dat ik liever niet veel vertel. Ik heb dan het idee dat ze vinden dat ik me uitsloof.’ Streven naar excellentie is not done in Nederland. Hopelijk kan de kruistocht van YoungWorks de nerd uit het verdomhoekje halen.