Column

Timide man

I OC-voorzitter Jacques Rogge spreekt vanavond als een soort wereldleider Londen toe. Ik verwacht een huiverige toespraak met een toef dalai lama in. Tegen de grens aan van het blinde geloof in de mens.

Jacques heeft er de présence voor: het lange lichaam gedragen door een herkenbare vorm van ascese, het hoofd lichtjes schuin in prelatenstand, de stem breekbaar geworden door de erosie van de tijd. Eigenlijk staat Rogge in schril contrast met de beroepsbobo. Van zichzelf zegt hij dat hij schuchter is. ,,In de lagere school moest de onderwijzer met straf dreigen om me voor de klas te laten spreken. Iets vragen aan een ander: ook nu durf ik het niet. Ik kan het niet.”

De Britse tabloids gingen over hun nek toen ze hoorden dat Rogge op de BBC had gezegd dat hij zich tot de ‘working class’ rekent.

In Londen voorgereden worden in een limousine met chauffeur op een voorbehouden rijstrook, handkusjes geven aan de Queen, slapen in een vijfsterrenhotel, en dan nog zeggen dat je een man van labeur bent – The Sun schoot met scherp.

En toch: Jacques Rogge is geen patser; daar heeft hij het talent niet voor. Al zei hij me op een avond in Lausanne: „Natuurlijk zijn Olympische Spelen een beetje snob, zoals Wimbledon dat ook is.”

Als orthopedisch chirurg werkte hij dag en nacht. Zeventienduizend operaties op het conto. Dus gewerkt heeft hij wel. Eerder wereldkampioen zeilen: Finnklasse. Schaken met de wind was zijn langste leven. Water als paradijsje.

In de jaren dat hij aan de kar van het IOC mocht trekken, heeft hij nooit verraad gepleegd aan zijn diepste wezen: diplomatie. Nooit eens revolutionaire statements, geen politieke uitspraken, geen jacht op een persoonlijke nimbus. Grijs in droom en daad. Toch laat hij een erfenis na: de aangescherpte strijd tegen doping, de strijd tegen corruptie van de eigen IOC-club. Het laatste met de behoedzame sluipgang naar het kwaad van de zoekende chirurg. En natuurlijk heeft hij ervoor gezorgd dat het geld binnenstroomde.

Ik moet soms nog aan Anton Geesink denken. De reus uit Utrecht die altijd in de contramine was met het NOC*NSF. Voor hem was het IOC als het Vaticaan. Hij was verslaafd aan de olympische mythe, en ook een beetje aan het internationale prestige dat hij zich zelf toedichtte. Toen zijn heiligenleven lichtjes besmeurd dreigde te raken door geritsel, werd hij door Rogge, himself, uit de wind gezet.

Soms hoor je dat de ballotageclub van het IOC net als een koningshuis is: niet meer van deze tijd. Zou kunnen. Maar wat is het alternatief? Bij sportbonden heerst vooral willekeur en privilegezucht. Zij moeten onder enig gezag worden geplaatst.

Dan toch maar het IOC.

Vandaag beleeft Rogge zij finest hour. Verlegen man achter de microfoon, maar wel met de wereld aan zijn voeten. Zoals steeds zal hij jongleren met normen en waarden en hulde brengen aan atleten voor wie geen offer te groot is. De hooggestemde tralala komt een beetje vierkant uit zijn mond. Het blijft bevlogen boekhouder die spreekt.

Oprecht is hij wel.

Het is onzinnig om aan de sportwereld te vragen het probleem Tibet op te lossen. Of Gaza op te vrolijken met de bevrijding uit de wurggreep van Israël. Mensenrechten afdwingen? In China is het vier jaar geleden niet echt gelukt.

Als Jacques Rogge vanavond in het hoge licht van Olympia staat, zal ik toch weer aan zijn evenbeeld, koning Boudewijn, moeten denken. Aan de schuchtere monarch die tussen engelen leefde.