Sport is Engels, leren verliezen trouwens ook

De eerste échte Olympische Spelen werden gehouden in Athene (1896). Maar de oorsprong ligt in Engeland, waar de meeste sporten én regels ooit zijn bedacht.

Titia Ketelaar

Correspondent Verenigd Koninkrijk & Ierland

Much Wenlock is een slaperig dorpje in het oosten van Engeland, bij de grens met Wales. Met een kleine drieduizend inwoners, twee belangrijke straten, de High Street en Wilmore Street, de ruïnes van een oud twaalfde-eeuws klooster, een kleine markt in een oude graanbeurs, en een verlaten station. En aan het einde van Station Road een groot groen sportveld: Linden Fields.

Hier was het dat in 1850 de eerste Spelen werden gehouden. Natuurlijk; dankzij de inspanningen van de Franse baron Pierre de Coubertin werden op 6 april 1896 in Athene de eerste échte Spelen gehouden. En De Coubertin wordt gezien als de uitvinder van de moderne Spelen. Maar de Fransman deed zijn inspiratie op in Much Wenlock, waar huisarts William Penny Brookes een jaarlijkse sportwedstrijd hield voor de arbeiders uit de talloze mijnen en fabrieken in de buurt. In 1890 schreef De Coubertin in La Revue Athlétique: „Als de Spelen opleven, waarvan het moderne Griekenland niet wist hoe het die weer moest oprichten, dan is men dat niet aan een Griek schuldplichtig maar aan dr. W.P. Brookes.”

Helemaal toevallig is het niet dat de Spelen hun oorsprong hebben in het Verenigd Koninkrijk. De Britten – vooral de Engelsen – zijn de uitvinders van de meeste moderne sporten. Hier werden in de negentiende eeuw de regels vastgelegd voor onder meer voetbal, rugby, cricket, badminton en zelfs tafeltennis. Als de Olympische Spelen van 2012 een succes worden, is dat dankzij „het land dat de moderne sport uitvond”, zei IOC-voorzitter Jacques Rogge afgelopen weekeinde bij aankomst in Londen.

Dat juist Engeland de bakermat van de sport is, komt doordat de Engelse adel minder feodaal en militair was dan de meeste Europese collega’s. Terwijl in Duitsland stadsstaatjes onderling vochten, en Frankrijk werd geregeerd door een absolute vorst, zat de Engelse adel in het parlement en was aan de macht. In plaats van onderling te vechten, zocht men een andere uitlaatklep om te laten zien wie de sterkste was. Al snel werd sport – paardenrennen, cricket en boksen – als vrijetijdsbesteding beschouwd, waar ook nog eens flink op kon worden gegokt. Dus moesten er regels komen.

In de negentiende eeuw, tijdens de Engelse industrialisatie, werd sport een goedkope ontspanning voor arbeiders. Penny Brookes’ idee dat sport gezond zou zijn, was vooruitstrevend. Lang vond men dat sporten (en dus vrije tijd) de werkende klasse lui zou maken. Ook de arbeiders hadden regels nodig, en organiseerden zich: vrije tijd was gelimiteerd.

Maar het was de Victoriaanse upper class, met hun ideaal van een beschaafde en georganiseerde samenleving, die ervoor zorgde dat de regels werden gecodificeerd. Sport was niet alleen fysiek, het had ook een moreel doel, vertelt Tony Collins, hoogleraar sportgeschiedenis aan het Leicester International Centre for Sports and Culture. „Sport leerde jonge mannen wat ambitie was, discipline, teamwork, transparantie en vooral fair play, eerlijk spel.”

Het was een van de redenen dat De Coubertin naar Engeland keek, en niet naar Duitsland of Scandinavië waar sport (gym) meer om atletische eigenschappen draaide, zegt Collins.

Die morele kant was vooral zichtbaar op de public schools, de privéscholen waar de Engelse elite werd getraind om het Britse rijk te besturen. Zoals in Rugby, waar schooldirecteur Thomas Arnold wilde dat zijn leerlingen opgroeiden tot christelijke gentlemen, sterk van karakter én lichaam. Met sport – in plaats van met de traditionele afmatting van jongerejaars door ouderejaars – zou dat lukken, en voetbal was de methode.

Nog steeds is Rugby een school waar veel wordt gesport. Portier John leidt trots rond over het beroemde rugbyveld, langs het cricketclubhuis, de schietbaan, de basketbalhal. Het is vakantie, de school wordt bevolkt door buitenlandse talenstudenten maar overal ademt het sporthistorie. Een steen gedenkt hoe student William Webb Ellis „met een volmaakte veronachtzaming van de regels de bal in zijn armen nam en rende”.

Al in 1845 stelden de Rugby-leerlingen hun voetbalregels op. Lang hielden die niet stand. Leerlingen van een andere beroemde privéschool, Eton, hadden hun eigen regels (anno 1849). En zij vonden dat je de bal niet mocht oppakken. Eenmaal in Cambridge, op de universiteit, wonnen de Etonians: de in 1864 opgerichte Football Association hanteerde hun regels. Rugby en andere scholen die wel de bal wilden vasthouden, scheidden zich af en vormden de Rugby Football Union. In navolging werden ook andere unions en associations opgericht, waaronder de Lawn Tennis Association in 1888. En via het Britse rijk en de handel verspreidden de regels zich.

Maar sport is voor Engelsen meer dan een onderdeel van de geschiedenis. Het is „essentieel voor ons karakter en voor hoe anderen ons zien”, zegt hoogleraar Collins. „Het idee van fair play en gentlemanly behaviour waarderen we ook buiten het sportveld. Kijk naar gezegden als ‘It’s not cricket’ (zoiets doe je niet) of ‘Hit below the belt’ (onder de gordel treffen).”

Het is deels een illusie, vindt hij. „De Britten breiden hun rijk uit door geweld en manipulatie. Het idee van eerlijk spel kun je alleen volhouden als je de dominante wereldmacht bent.” En fair play wordt gebruikt „als een kruk”. „Als we verliezen is dat omdat de anderen niet volgens de regels hebben gespeeld. Dat werd al in 1905 als excuus gebruikt. Toen won Nieuw-Zeeland van Engeland, Schotland en Ierland. De kranten schreven dat ze niet eerlijk hadden gespeeld: té professioneel en wilden té graag winnen.”

„De Engelsen hebben er bijna stiekem lol in als ze verliezen”, zegt Ellis Cashmore, hoogleraar cultuur, media en sport aan Staffordshire University. „We scheppen erover op, en vinden de Amerikaanse winnaarsmentaliteit niets. Oké, ook de Engelsen willen winnen, maar we verdragen het moedig als we verliezen.”

Het is niet verkeerd „een kranige verliezer” te zijn, zegt Cashmore. „Dat is in elk geval in de geest van de Spelen. Het doel van alle regels was meedoen te vergemakkelijken.” De Britten zijn trouw gebleven aan De Coubertins motto dat meedoen belangrijker is dan winnen, vindt hij.

Vanaf de twintigste eeuw draaide sport meer en meer om geld. Ook omdat wedstrijden veel toeschouwers trokken, en daarmee ondernemers. En doordat de sporters speelden om iets tastbaars – geld – nam het aantal toeschouwers verder toe. Cashmore: „Geld werd de drijfveer en winnen werd belangrijk.”

„Het is misschien ook de reden waarom, nu ook de Britse politieke en diplomatieke macht daalt, de investering in topsport stijgt”, filosofeert hoogleraar Collins. „De Britten willen op de een of andere manier een wereldmacht zijn. En sport is een van de weinige podia waar dat nog op kan. Dat is de reden waarom [oud-premier] Tony Blair zo graag de Spelen naar Londen wilde halen.”

En als de Engelsen dan verliezen, is er één troost. Waar ter wereld er ook wordt gesport, de regels zijn altijd de Engelse.