Nederlandse vrouwen moeten EK en Tour de France doen vergeten

Op de Spelen zullen de vrouwen opnieuw voor de gouden medailles moeten zorgen. Verschil met de mannen? „Ze kiezen veel bewuster voor topsport.”

Het Nederlands elftal ging als vicewereldkampioen af bij het EK met drie nederlagen. De wielrenners vielen in de Tour de France vooral op met valpartijen. Medailles, liefst gouden, zijn dringend gewenst bij de Olympische Spelen in Londen. Redden de vrouwen opnieuw de Nederlandse sportzomer?

Vier jaar geleden deden de vrouwelijke olympiërs de mannen verbleken in Peking. Ze wonnen – individueel en in ploegverband – twaalf van de zestien medailles. Van de zeven keer dat het Wilhelmus klonk voor olympisch goud, stond slechts één keer een man op het erepodium – openwaterzwemmer Maarten van der Weijden.

Nu lijken opnieuw vooral de vrouwen de sportzomer van glans te kunnen voorzien, in de stad waar Fanny Blankers-Koen in 1948 als ‘vliegende huisvrouw’ vier gouden medailles won. Ga maar na. De hockeyvrouwen hebben meer kans op een medaille dan de mannen. Hetzelfde in het zeilen, roeien en wielrennen – al zijn de vrouwen met 86 van de 178 Nederlandse sporters net in de minderheid.

Emancipatie, basisfysiek en welvaart werden na ‘Peking’ als redenen voor de vrouwelijke dominantie genoemd. Maar Agnes Elling, onderzoeker van het Mulier Instituut voor sociaal-wetenschappelijk sportonderzoek, concludeerde in 2009 dat het slechts toeval was geweest. Ze becijferde dat vrouwen uit landen met vergelijkbare faciliteiten niet net zo goed presteerden. En dat de vrouwen internationaal minder concurrentie hebben, omdat vrouwensport in Arabische- en ontwikkelingslanden minder voorstelt.

„De meest rare verklaringen zijn bedacht voor de gouden medailles. Ik denk dat we simpelweg enkele uitzonderlijke sporters op hetzelfde moment hebben gehad”, zegt Elling nu. Ze wijst op ‘eenlingen’ als Inge de Bruijn, Leontien van Moorsel en Anky van Grunsven. „Deze keer pakt het misschien wel heel anders uit. Als vrouwen in sterk bezette sporten net naast het goud grijpen en de mannen winnen wel, dan slaat de balans naar de andere kant door.”

Sportkoepel NOC*NSF heeft echter bewust gemikt op sporten waarin nog veel ontwikkeling mogelijk is. Dat zegt onder anderen Robin van Galen, vier jaar geleden bondscoach van de ‘gouden’ waterpolosters. „De mogelijkheden liggen vooral aan de vrouwenkant. In veel landen hebben vrouwen veel minder kans hun talent te benutten, dus is de concurrentie minder dan bij de mannen. Waterpolo voor vrouwen is pas sinds 2000 olympisch. De top bestaat uit twaalf landen, tegenover vijfentwintig bij de mannen.”

Maurits Hendriks, chef de mission van Nederland in Londen, sprak tegenover de NOS al zijn trots uit over de structureel betere prestaties van vrouwen ten opzichte van mannen. „Vanuit verenigingen in Nederland is er al op jonge leeftijd gelijkheid tussen man en vrouw. Voor ons is dat vanzelfsprekend, maar dat is het niet in andere landen. Dat geeft ons een voorsprong.”

Marjolein van Unen, bondscoach van de judoka’s, noemt de instelling van Nederlandse vrouwen als belangrijk verschil. „Ik denk dat ze veel bewuster voor topsport kiezen dan mannen. Ze moeten beter plannen, omdat ze veel ernaast te doen hebben. De vliegende huisvrouw heette niet voor niets zo. Vaak hoor je dat vrouwen in topsport emotioneler zijn en gecompliceerder. Maar ze willen zich, misschien onbewust, ook meer laten gelden. Dat komt eruit nu ze de mogelijkheden krijgen.”

Ook Van Galen, die een kwart eeuw ervaring heeft met het coachen van vrouwen en mannen, ziet een verschil in mentaliteit. „Vrouwen zijn gedisciplineerder als er eenmaal doelen zijn gesteld met bijbehorende afspraken. Mannen proberen het ook nog eens links- of rechtsom als iets even niet lukt. Vrouwen tonen meer commitment.”

Van Unen had het zelf nodig, in de jaren dat ze in haar sport moest strijden voor erkenning. „Weerstand zal er ongetwijfeld zijn geweest, maar daar heb ik me dan geen moer van aangetrokken. Ik denk dat vrouwensport nu echt volwassen is in Nederland. We hebben dezelfde mogelijkheden als mannen, zoals in de meeste Europese landen. Het is alleen jammer dat maar weinig vrouwen na hun loopbaan in het trainingswerk blijven hangen.”

Ook op bestuurlijk niveau zijn vrouwen nog veruit in de minderheid. Het Amerikaanse IOC-lid en oud-roeister Anita DeFrantz riep deze week vrouwen op zich verkiesbaar te stellen voor prominente bestuursfuncties in de sport. De Nederlandse roeiveteraan Femke Dekker voert deze dagen campagne om te worden gekozen als IOC-lid.

Het is opnieuw een teken dat vrouwensport zich overal ontwikkelt, maar in Nederland in het bijzonder. Het zijn belangrijke jaren, vindt Elling. „Vrouwen zie je alleen terug als jeugdtrainer en vaak onbetaald. De doorstroming naar de top ontbreekt, ook door oorzaken als zorg voor kinderen. Dat lukt beter in Scandinavië en Duitsland. Maar professionalisering trekt ook weer mannen aan, zodra er status en geld is te verdienen.”

Elling verwacht een internationale wedloop, nu het IOC vrouwensport stimuleert. Ook Van Galen vermoedt dat het lastig is voor Nederland de voorsprong te behouden. „We waren in de jaren tachtig en negentig heel dominant in het waterpolo. Maar met de olympische status voor de Spelen van 2000 kreeg de sport enorme aantrekkingskracht. De vrouwen van China stelden niks voor, maar zijn nu wereldtop. De professionalisering maakt dat Nederland al niet meer structureel bij de top hoort.”