Kunst als banenmotor in Congo

Kunstenaar Renzo Martens wil een ‘broedplaats’ creëren op een oude plantage in Congo. Kunst trekt immers kapitaal aan, weten bestuurders over de hele wereld.

Redacteur Cultuur

De presentatie van het laatste project van kunstenaar Renzo Martens is precies wat hij niet meer wil. „Wij verkopen gevoelens aan elkaar. Rijke mensen voor rijke mensen, het lijkt soms een soort inteelt.”

We zijn op de slotmanifestatie van de zevende de Berlijn Biënnale, die dit jaar geheel was gewijd aan politiek-kritische kunst. De plaats is het informeel ogende kunstcentrum KW in Berlin-Mitte, het soort centra voor hedendaagse kunst dat stadsbesturen over de hele wereld tolereren en financieren om een verwaarloosde stadswijk als deze weer tot economische bloei te brengen. Kunst, zo weten de planners, trekt immers kapitaal aan.

In Berlin-Mitte, tien jaar geleden nog een treurig monument van urbanistische verwaarlozing uit de DDR-tijd, hebben de galeries en restaurantjes inmiddels gezelschap van kapitaalkrachtige huizenbezitters. In het KW presenteert Martens (1973) vanavond aan een honderdtal jonge kunstenaars het mede door hem opgerichte ‘Institute for Human Activities’ met een in Congo opgenomen video. Naast het kunstcentrum is een chic feest waar de aanwezigen in smoking en avondjurk zijn gehuld. Zo gaat dat: het opwaarderen, of anders gezegd: de gentrification van een voorheen opgegeven wijk.

Martens’ idee is om de zegeningen van de creatieve economie als motor voor algehele economische ontwikkelingen over te plaatsen, naar een plek die dat als weinig andere nodig heeft: een voormalige Unilever-plantage in Congo nabij het stadje Boteka aan de rivier de Mompoyo, een slordige achthonderd kilometer van de Congolese hoofdstad Kinshasa.

Eens kwamen daar de grondstoffen voor Sunlight-zeep vandaan. Unilever verkocht de in 1912 door William Lever zelf gestichte plantage in 2009 aan derden – uiteraard zonder aan zoiets als pensioenvoorzieningen voor de lokale arbeiders te denken. Sindsdien heet zij ‘Plantation et Huilerie du Congo’ en is het maandloon gestegen van omgerekend 6 naar 24 euro per maand. Maar gezondheidszorg en scholen ontbreken nog altijd, en honger blijft een groot probleem.

De video laat zien hoe het Institute for Human Activities vorige maand zijn werkzaamheden aan de Mompoyo-rivier is aangevangen: met een tweedaags symposium, waarvoor een aantal prominente kunstkenners en denkers, zowel Congolezen als uit het Westen, per gecharterd vliegtuig en boot naar de plantage was overgebracht. Via een satellietverbinding was vanuit Canada ook Richard Florida van de partij, de vader van de theorie van kunst als economische aanjager.

Het is een merkwaardig gezicht: een Berlijnse filosoof die zwaar zwetend achter een microfoon een verhandeling houdt over het waarheidsgehalte in de kunst, voor een gehoor van enkele honderden zwarte arbeiders, mede gelokt door gratis limonade. Het geïmproviseerd tot stand gekomen videodocument laat niet goed zien hoe de toeschouwers precies reageren op de over hen uitgestorte curatorentaal. „De meeste vragen uit het publiek hadden betrekking op gezondheidszorg en dergelijke”, zegt Martens.

Renzo Martens werd vooral bekend door Episode III: Enjoy poverty uit 2008. Die eveneens in Congo opgenomen film lokte wereldwijd heftige discussies uit: je zag Martens aan Afrikanen uitleggen hoe zij hun armoede te gelde konden maken, en lokale fotografen instrueren hoe zij aan hongeroedeem stervende kindertjes goed in beeld konden brengen, omdat je zulke foto’s aan de wereldpers kunt verkopen en daaraan meer te verdienen valt dan aan huwelijksfoto’s.

De kunstenaar kijkt inmiddels niet zonder kritiek terug op Enjoy poverty. „Ik had hun natuurlijk niets te bieden. Ik ging terug en zij bleven”, meent Martens nu. „Er was erg weinig effect. De film was zelf medeplichtig aan de armoede.”

Dat moet anders in het nieuwe project, waarbij het ter plaatse genereren van inkomen en kapitaalvergroting vooropstaan. Het project loopt vijf jaar en bestaat onder meer uit een residency van kunstenaars van buiten en masterclasses. Vanuit een voorlopig kantoor in de Amsterdamse Potgieterstraat is het vijfkoppige Institute for Human Activities nu doende om in aansluiting op het openingssymposium nieuwe activiteiten richting Boteka te krijgen. Ook worden fondsen en sponsors gezocht. Unilever, dat zeer nadrukkelijk kritische kunst in de Londense Tate Modern sponsort, zou een voor de hand liggende geldgever zijn, meent Martens.

Hij hoopt dat het experiment met gentrification in het regenwoud van Congo hem stof voor een of meer films zal opleveren. Maar dat is niet waar het om gaat, zegt hij. „Wat het op moet leveren is een boeiend kunstinstituut, publicaties, tournees van kunstenaars door Europa, een nieuw mandaat voor kunst en wat te eten. Wij doen het om de kunst te verbeteren. Sinds Van Gogh wil kunst zich steeds rekenschap geven van de omstandigheden waaronder zij wordt geproduceerd. Onze nederzetting naast de voormalige Unilever-plantage biedt de mogelijkheid ons daar ten volle rekenschap van te geven: bijna gratis arbeid is een essentiële voorwaarde voor de productie van hedendaagse kritische kunst. Dit is één wereld waarin alles met elkaar verbonden is, een Congolese plantage net zo goed als Berlin-Mitte. Niemand is onschuldig.”

Het is niet de bedoeling om de kunstzinnige productie ter plaatse te beperken tot die van ingevlogen westerlingen. Tot in de jaren vijftig bestond in de streek een cultuur van houten beelden, die katholieke missionarissen als afgoderij op de brandstapel gooiden, behalve de mooiste exemplaren die zij aan de etnografische musea in Europa verkochten. „We willen de lokale kunstproductie reactiveren”, zegt Martens. „Nu exporteert de streek alleen nog maar onbewerkte boomstammen. Als het Stedelijk één tekening van een Congolese arbeider aankoopt, dan staat dat al gelijk aan enkele jaarsalarissen. Ieder mens is creatief, kunst is niet zo moeilijk.”

Kijk voor meer informatie over het project op humanactivities.org