Je wilt niet dood

Er zijn momenten dat ik, gezeten in een bruinleren fauteuil, terwijl ik bedachtzame trekjes van mijn sigaar neem, nadenk over wat er in de toekomst waarschijnlijk niet meer zal bestaan. Op mijn lijst staan tot zover: Met de kilometerteller op 134 vond ik het glashelder: dit is krankzinnig – megastallen – halflege yoghurtkuipjes die omvallen

Er zijn momenten dat ik, gezeten in een bruinleren fauteuil, terwijl ik bedachtzame trekjes van mijn sigaar neem, nadenk over wat er in de toekomst waarschijnlijk niet meer zal bestaan. Op mijn lijst staan tot zover:

Met de kilometerteller op 134 vond ik het glashelder: dit is krankzinnig

- megastallen

- halflege yoghurtkuipjes die omvallen als je er een lepel in zet

- zelf autorijden

Deze vakantie zat ik na een jaar weer achter het stuur: een verwoede poging om te demonstreren dat ik het roze pasje in mijn portemonnee heus verdiende, en niet een jaar rijlessen had genomen om uiteindelijk te eindigen met een nogal prijzige kaarsvetkrabber. Toch, rijdend op de Autoroute du Soleil, mijn voet vastgeplakt op het gaspedaal en de kilometerteller op zo’n 134, vond ik het glashelder: dit is krankzinnig.

Zonder enige beperking kun je in een soort blik op wieltjes stappen om vervolgens met een rotvaart over een wegdek te scheuren. Autorijden lijkt nog het meest gebaseerd op de gedachte: ‘Veel succes! Met wat ervaring en een geurend denneboompje aan je achteruitkijkspiegel zal het allemaal wel loslopen!’.

De mate van vertrouwen dat je moet hebben om met een auto de weg op te gaan, is overdonderend. Op een snelweg word je continu omringd door andere auto’s – die bestuurd worden door god weet wie. Op de Autoroute kan de man naast me een klittenbandverkoper zijn die terugkomt van een mislukte zakendeal uit Hamburg en al negentien uur niet geslapen heeft, omdat hij in één ruk wilde doorrijden. De vrouw naast me kan net haar raampje opengedraaid hebben en luidkeels meezingen met de ‘Bohemian Rapsody’, waarna er een wesp haar keel invliegt, de jongen naast me kan een onverklaarbare hekel aan groene auto’s koesteren, en zelfs het verwisselen van een Maroon 5-cd voor een Madonna’s Classic Hits kan ervoor zorgen dat ik sterf in een kolkende zee van vuur, rook, bumperstukjes en geplette snoeptrommels.

Ik vond het niet bepaald een opwekkende gedachte.

En dat zijn dan alleen nog maar de anderen: de echte autohel, die vorm je zelf. Met een licht verkrampte blik op de witte strepen die voorbijsnellen, is de dwanggedachte altijd dichtbij, als een wuppie die op je stuur zit en met een fluisterstemmetje steeds weer droog herhaalt: ‘Als je nou even iets te veel naar links stuurt, ben je dood.’ Je wilt niet naar links sturen. Je wilt niet dood. Maar hoe vaker je eraan hebt gedacht, hoe groter de kans lijkt dat je misschien tóch wel even naar links gaat sturen. Onwillekeurig. Zo’n kleine beweging, maar met zulke grote gevolgen. En opeens ben je bang dat je aan een soort motorische Gilles de la Tourette lijdt. Dat je lichaam júíst hetgene zal doen wat het allerminste mag: van de uitzichttoren afspringen, die pasgeboren baby laten vallen, dat kleine rukje aan het stuur geven. En dan denk je: waarom zit ik achter een stuur? Ik ben niet te vertrouwen! Zouden de mensen die op dit moment naast mij rijden weten dat ik aan het overwegen ben mezelf de vangrail in te sturen? En hoe groot is de kans eigenlijk dat zij precies hetzelfde denken?

Daarom lijkt het mij niet meer dan logisch dat er over niet al te lange tijd automatische auto’s zullen komen. Waar wij rustig in kunnen zitten. Terwijl we yoghurtjes eten met verstevigde bodems.