Ik heb mezelf extravert gemaakt

Op school was Koen Martens als nerd een buitenbeentje. Nu is hij als hacker „het technische geweten van de samenleving”.

Programmeren leerde hij terwijl hij leerde lezen. Koen Martens (35) is hacker, en hij was er vroeg bij. Dat vindt hij zelf ook. „Ik ging als kind van aap-noot-mies naar 1-0-1-1-0”, zegt hij grinnikend. „De vader van een vriendje in de buurt had een computer, nog zo’n hele grote. Ik was direct verkocht.” En zelfs daarvoor, als kleuter, hackte hij al. Elk apparaat dat hij in zijn kinderhanden wist te krijgen, haalde hij uit elkaar. Gewoon, om de draden te bekijken, om te zien hoe het werkt. Om de techniek te bewonderen. „Maar toen gingen die apparaten nog niet altijd terug in elkaar zoals ze uit elkaar kwamen. Tot groot ongenoegen van mijn ouders.”

Toch is dat precies wat een hacker doet, zegt Martens. Die is nieuwsgierig, die wil dingen openmaken. Een hacker gebruikt nooit iets ‘zomaar’, maar vraagt zich altijd af: wat zit erin? Hij wijst op zijn telefoon. „Een leuk apparaat, maar wat doet het? Houdt het bij waar ik ben? Wat ik intik? Hackers zijn er om dat uit te zoeken.” Martens, lange rastalokken en gele band in zijn haar, is een spil van de Nederlandse hackersgemeenschap. Hij woont samen met zijn vriend en twee katten in Den Haag, en werkt bij een ICT-bedrijf. Daarnaast organiseert hij grote internationale conventies voor hackers en is hij voorzitter van de ‘hackerspaces’. Dat zijn plekken – Martens: „Fysieke ruimtes.” – waar hackers zich kunnen verenigen. Er zijn er vijftien in Nederland. „Het zijn toevluchtsoorden voor technisch begaafde mensen.” Martens ziet zichzelf als spreekbuis van hen.

Hebben hackers een spreekbuis nodig?

„De meesten hebben hele sterke idealen, maar zijn ook teruggetrokken personen. ‘Hacktivists’, zeg maar: het technische geweten van de samenleving. Maar weinigen zoeken uit zichzelf het publiek op. Dat is een beetje de aard van het beestje, het klassieke verhaal van de nerd die erbuiten valt. Dat ben ik ook, maar ik voel dat beter aan dan de gemiddelde hacker.”

Je noemt jezelf een nerd?

„Hackers zijn nerds. Het is een geuzennaam. Aan de ene kant is het een passie voor techniek en elektronica. Als die diep in je wezen verweven zit, dan ben je een nerd. Maar we zijn vaak onbegrepen. Veel hackers zijn buitenbeentjes. Die vielen op school buiten de sociale kringen. Dat had ik zelf ook, ik vond daar geen aansluiting. Wel bij mensen die ik via het hacken online leerde kennen, maar niet bij de personen in mijn directe omgeving. Als ik tegen hen over computers begon, dan snapten ze er niets van – en veel anders had ik niet in mijn wereld. Ik heb zo’n beetje al mijn tijd aan computers besteed.”

Dat klinkt eenzaam.

„Ik had een heel beperkte vriendenkring. Mensen begrepen mij niet. Tot diep in de nacht was ik met allerlei software in de weer: sleutelen, verbeteren – tegen het obsessieve aan. Ik was een teruggetrokken, toch wat depressieve jongen. En ik moest nog uit de kast komen, dat hielp natuurlijk ook niet mee. Je kunt je voorstellen: als je hele dagen en nachten op je zolderkamer achter de computer zit, dan ontwikkel je jezelf sociaal niet. Toen ik een jaar of twintig was, heb ik gezegd: daar wil ik iets aan doen. Toen heb ik mezelf veranderd.”

Kun je jezelf veranderen?

„Zie het als een soort hacken. Het brein is ook een machine, een systeem waar je aan kunt sleutelen. Een apparaat dat je kunt aanpassen en verbeteren. En dat is precies wat ik heb gedaan. Ik heb van mezelf een extravert persoon gemaakt. De eerste stappen daartoe heb ik gezet door mezelf in sociale situaties te dwingen. Ik werd om die reden student-assistent, en ben evenementen voor hackers gaan organiseren. Traditioneel werd sinds eind jaren tachtig elke vier jaar een internationale hackersparty gehouden. Toen dat op een gegeven moment niet meer dreigde te gebeuren, ben ik die zelf gaan organiseren.”

De 8-bit tune van computerspel Super Mario Bros. schalt plotseling keihard door de ruimte. Martens’ telefoon gaat af.

„Wacht… ben ik dat? Vast niet belangrijk. Sorry, waar was ik? Oh ja. Die bijeenkomsten, die zijn heel belangrijk voor hackers. Daar is iedereen gelijkgestemd en dat voelt voor buitenbeentjes als hackers toch een beetje als thuiskomen. Het is wat paradoxaal: aan de ene kant die teruggetrokkenheid en aan de andere kant dat gevoel van gemeenschap en verantwoordelijkheid. En een gezonde dosis paranoia natuurlijk.”

Om hacken hangt vaak wel een zweem van illegaliteit.

„Tegen die reputatie probeer ik wat te doen. Natuurlijk moet je soms de grens opzoeken. Stel je test de veiligheid van een database en je vindt iets: als je dat meldt dan heb je computervredebreuk gepleegd en ben je strafbaar. Doe je het niet, dan kunnen al die gegevens op straat komen te liggen. Het blijft een lastige afweging. Ik keur het alleen goed als het echt nodig is. Kijk bijvoorbeeld naar hoe de ov-chipkaart, hoe die destijds is gekraakt. Daar zijn dingen gedaan die misschien niet helemaal legaal waren, maar wel broodnodig.”

Door jou?

„Ik was daar zijdelings bij betrokken. Maar nee: ik heb de aspiratie om naar buiten te treden. Dan is het niet handig als je vieze handen hebt.”

Is dat niet ergens juist een deel van de charme van het hacken? Het klinkt spannend.

„Nee. Niet voor mij. Het gaat mij om de intellectuele uitdaging, en de maatschappelijke noodzaak. Maar ik zie het weleens hoor, van die jongens die stoer willen doen. Vaak een jaar of vijftien à zestien. Die gaan opscheppen, willen laten zien wat ze allemaal kunnen, en raken in de problemen. Daarom zijn die hackerspaces zo belangrijk. Je kunt er zo veel van elkaar leren. Qua techniek, maar dat soort jongens leren daar wat wel en niet kan. De ethiek van het hacken, hoe ver je mag gaan, die kunnen je ouders je niet bijbrengen. Die begrijpen totaal niet waar hun zoon mee bezig is.”

Gold dat voor jou ook?

„Mijn ouders hadden niets met computers. En mijn twee zusjes waren ook meer van de mensen. Dan is het goed als een oudere hacker je een beetje onder zijn vleugel neemt. Dat leer je niet alleen op je zolderkamer.”

Zit je nog weleens op die zolderkamer?

„Soms. Laatst heb ik letterlijk twee dagen lang zitten programmeren, dag en nacht. Er was een probleem dat ik wilde oplossen, iets met geheugenbeheer – ik zal je de details besparen. Het had verder geen praktisch nut, maar ik kon gewoon niet uitstaan dat het me niet lukte. Dan ga ik door tot ik het voor elkaar heb. Het moet en zal werken, wat het ook is. Dat is hacken voor mij. Ik heb geen apparaat in huis waar ik niet zelf iets aan heb veranderd. Tot voor kort mijn auto, maar daar ben ik nu ook aan begonnen. Ik bouw een oude TomTom om tot autoradio. Het is wat voor anderen een kruiswoordpuzzel is: als hij af is, dan ga je gewoon door naar de volgende. Het houdt nooit op. De laptop gaat pas dicht als het tijd is om te gaan slapen.”