Halsbandparkieten

Nadat ze alle parken in Amsterdam veroverd hadden, zijn de halsbandparkieten nu opgerukt naar de KNSM-Laan waar wij wonen. Men woont hier in het algemeen voor zijn rust. Tot voor kort was het aangenaam zitten op ons balkon en in de ochtend en de avond te luisteren hoe de merels elkaar toezongen. Maar sinds hun komst zwijgen de merels, de mussen tjilpen niet meer en ook de koolmezen en pimpelmezen, die altijd voor een vrolijke noot zorgden met hun lokroepjes, hoor je niet. Er is alleen nog het gekrijs van die vreemde groene vogels. Ellendige lawaaischoppers.

Aan de overkant zijn er ook nog mensen die deze vogels voeren! Ja, hoor eens, zo komen we nooit van ze af.

Jaren geleden schijnt er een paartje ontsnapt te zijn uit hun kooi, ze gingen heen en vermenigvuldigden zich. Het werd een regelrechte plaag, het zijn buitengewoon agressieve vogeltjes. In het Vondelpark hebben ze bijvoorbeeld alle spechten uit hun holen verjaagd en ook andere soorten zijn niet veilig voor hun expansiedrift. Tot mijn ontzetting hoorde ik al een paartje krijsen in Loosdrecht. Binnenkort ziet heel Nederland gifgroen van deze luidruchtige schreeuwlelijken.

Ze horen hier niet. Je zou ze allochtonen kunnen noemen, op gevaar af dat je voor een soort ornithologische Wilders wordt versleten. Tekenaar en vogelkenner Siegfried Woldhek ergert zich in gelijke mate aan de nijlganzen, maar hun aantal is niet zo massaal en die maken in elk geval niet zo’n godvergeten herrie.

Er zijn mensen die ze mooi vinden, ze ogen ook fraai met hun buitenissige kleuren, maar ze detoneren juist daardoor in het Nederlandse landschap. Zulke vogels horen thuis in tropische oorden. Of in Artis. Net als de papegaaien.

Wat te doen? Slechtvalken zouden wonderen kunnen verrichten, maar waar haal je in het centrum van Amsterdam een paar goede slechtvalken vandaan?