Groot en glimmend, nooit gebruikt geld

Haar herdenkingsmunten aan een sportevenement, het WK van 2006, kon Janet Luis niet gebruiken. Maar mooi waren ze wel.

Kampioenschappen zijn er voor de sport, maar ook voor de economie. Enkele maanden geleden kon je EK-zloty’s kopen, momenteel gaan er in Londen penny’s met handballers en hoogspringers op de achterzijde over de toonbank.

In Duitsland werd al in 2003 begonnen met de uitgifte van een serie munten voor het WK voetbal van 2006. Ik kreeg één zo’n munt cadeau van onze Duitse vrienden. Het was een groot en glimmend ding. Het leek een aardigheidje, maar je zou er ook echt mee kunnen betalen. Hij vertegenwoordigde een waarde van 10 euro. De munt zat in een plastic hulsje en kon met huls en al worden opgeborgen in een verzamelmapje. In dat mapje pasten nog vier andere herdenkingsmunten, die nog moesten verschijnen. Vanaf het omslag keek Franz Beckenbauer, „der Kaiser”, voorzitter van het WK-organisatiecomité, mij indringend aan. Hij sprak de verwachting uit dat de trotse eigenaar van de officiële, unvergängliche herdenkingsmunten vaak zou terugdenken aan het WK.

In 2004 en 2005 kreeg ik nog eens twee Silbermünze van onze vrienden. Die waren al net zo groot en glimmend. Ik zette ze bij in het herdenkingsmapje. Maar, zoals het wel vaker gaat met verzamelingen, kwam daarna de klad erin. Het WK 2006 kwam eraan, het WK werd gespeeld en ik vergat de munten. Het mapje met de drie gevulde en de twee nog holle ruimtes bleef achterin de kast liggen.

Een paar weken geleden kwam ik het weer tegen. Ach ja, de munten. Wat moest ik met deze halve verzameling? Ik besloot ze gewoon uit te geven. Ik nam ze mee naar de sigarenboer en wachtte in de drukke winkel, wat besmuikt, een rustig moment van handel af. De sigarenboer keek er belangstellend naar. Best leuke munten. Maar hij kon ze niet aannemen. Hij verwees me door naar een bank.

Ook de baliemedewerkster bij de bank keek de volgende dag met interesse naar mijn mapje. Leuke munten. „Zilver”, zei ze waarderend. Ze haalde er een collega bij. Maar bij gebrek aan een „afstortbalie” konden zij ze niet aannemen. Ze verwezen me door naar De Nederlandsche Bank aan het Frederiksplein, hier in Amsterdam. Daar was ik nog nooit eerder geweest. Al meteen na de draaideur schoot een dame in uniform toe. Na een strenge blik op het mapje deelde ze mee dat De Bank alleen biljetten aanneemt, geen munten. Ze verwees me door naar de Koninklijke Nederlandse Munt in Utrecht. Daar zouden ze er wel raad mee weten. Maar een telefoontje leerde dat ook de Koninklijke Munt geen munten aannam, althans geen „buitenlandse” munten. „Het zijn euro’s”, zei ik. „Ja”, zei de man, „maar Duitse euro’s.”

Wilde dan niemand mijn geld kopen? Er was nog maar één mogelijkheid: Marktplaats. Binnen het uur kwam er een reactie. Een meneer uit Noord-Brabant had belangstelling. Voor mijn drie onvergankelijke Silbermünze van 10 euro met bijzondere opdruk bood hij 35 euro, inclusief verzendkosten. De koop werd gesloten. Ik was blij dat ik er vanaf was. Nu ik ze kwijt zou raken, keek ik er nog eens goed naar. Wat glansden ze veelbelovend. Helemaal nieuw, nooit gebruikt geld. Toen ik terugliep van de brievenbus voelde ik me een beetje weemoedig. Ik had ze misschien beter kunnen houden. En af en toe tevoorschijn halen, ze zachtjes aaien, die maagdelijke munten, nooit door iemand anders aangeraakt – en daarna terugleggen in de kast.