Gij zult herverdelen

De moraal is terug in de economie, en hoe. Economen roepen de politiek op het heft veel meer in handen te nemen.

Maartje Somers

Redacteur Boeken

Het moralisme is terug. Dat het volk moreel verontwaardigd is, is normaal – de mens heeft sterke morele instincten, zeker zolang het over anderen gaat. Dat filosofen zich met moraal bezighouden is hun vak. Dat christelijke politici zich er druk over maken is logisch. Maar als een aantal vooraanstaande economen zich los van elkaar gelijktijdig tot de moraal bekeert, ja dan, dan is het moralisme echt back in town.

‘Economie moet weer een morele wetenschap worden’, schrijven econoom en Keynes-expert Robert Skidelsky en zijn zoon, de filosoof Edward Skidelsky, in How Much is Enough? En Nobelprijswinnaar Robert Stiglitz schrijft in The Price of Inequality: ‘Het moreel verval zit in het hart van ons economisch systeem.’

Deze vooraanstaande economen, die niet in de frontlinie verkeren en daarom verder kunnen kijken dan de volgende afwaardering of kapitaalinjectie, komen met een eensluidend oordeel. Natuurlijk moeten we ons een weg banen uit de huidige recessie, ‘maar dat is niet meer dan Prozac om de patiënt op de been te helpen’, aldus de Skidelskys. Daarna is het hoog tijd om de wereld van het geld weer in te passen in de reële economie en ervoor te zorgen dat winst weer het middel wordt en niet het doel. En volgens sommigen zelfs om af te zien van groei als belangrijkste maatstaf.

Het werd tijd voor wat moraaleconomie. Milton Friedmans adagium ‘never waste a good crisis’ lag ten tijde van de hypotheekcrisis nog velen in de mond bestorven, maar daar is nu geen ruimte meer voor. Financiële markten gedragen zich als heroïnejunkies: ’s ochtends een shot, ’s middags alweer behoeftig. Samenlevingen worden tot het uiterste opgerekt en dreigen onherstelbaar te scheuren. Moegetergde Europese politici schrapen noodfondsen bijeen maar lijken verder machteloos te staan. De kloof tussen arm en rijk is in Europa het wijdst sinds dertig jaar (volgens de OESO, eind 2011) en kan in de VS gerust obsceen worden genoemd.

Zijn al die zaken een gegeven? Leven we technologisch in de 21ste, maar economisch gezien opnieuw aan het begin van een 19de eeuw? En kunnen politici echt niet anders dan met vallen en opstaan doorgaan op de ingeslagen weg? Moeten economen niet, zoals John Maynard Keynes schreef op het diepst van de depressie van de jaren dertig ‘de ballast van het heden afwerpen en opstijgen, de toekomst in’? Wordt het niet hoog tijd voor een nieuw economisch Grand Design?

Een goede samenleving is méér dan een sterke economie. Sterker: juist omdat die twee zaken tegenwoordig samenvallen, zitten we nu in de problemen, betogen de Skidelskys in How Much is Enough? De twee gaan niet uit van de financiële sector, maar kijken eerst naar de gewenste maatschappelijke uitkomst.

De vraag die ze daarbij stellen is: heeft economische groei een einddatum? Komt er een moment dat iedereen genoeg heeft? Economische founding fathers, zoals Adam Smith en ook John Maynard Keynes dachten van wel. In 1930 schreef Keynes een klein essay, Economic Possibilities for our Grandchildren, waarin hij stelde dat na honderd jaar een plateau bereikt zou zijn. Tegen 2030 zou iedereen genoeg hebben, niemand zou nog veel hoeven werken, waarna de mens voor het eerst in de geschiedenis zijn leven zou kunnen doorbrengen in leisure. Dat is geen niets doen, haasten de Skidelskys te verduidelijken. Het gaat om zinvolle activiteiten, om zelfontplooiing, zorg voor naasten en andere zaken die de kwaliteit van leven bevorderen.

In alle religies en filosofische doctrines, aldus de twee, heerst een afkeer van het exces. Steeds is er de oproep tot gematigdheid, omdat de gemeenschap al te grote verschillen niet overleeft. Ook draait het om geestelijke ontwikkeling en meer dan werk alleen. Om tot een beter kapitalisme te komen, is het zaak deze fundamentele ideeën over wat een goed leven is af te stoffen.

Politici moeten voortaan dat ‘goede leven’ als uitgangspunt nemen bij hun beleid, niet groei als zodanig. Of beter gezegd, de groei van het BBP is voor sommige aspecten van het goede leven te ver doorgeschoten. De Skidelskys komen met statistieken over de toename van welvaartsziektes en inkomensongelijkheid om hun argumenten kracht bij te zetten.

Hun taartgrafiek over de verdeling van rijkdom in Groot-Brittannië is zeer aanschouwelijk. In 1973 had de onderste helft nog 20 procent, nu nog maar een piepklein wit reepje van de taart. Geen wonder dat van het zogeheten Trickle Down-effect in economieland nu afscheid wordt genomen. Het blijkt onwaar dat iedereen profiteert als de hele taart groter wordt.

In het hart van de moderne economie ligt een Faustiaans contract, menen de Skidelskys, een deal met de duivel. Eeuwenlang was de wereld doordrongen van (kerkelijke, volkse) moraal. Na de Industriële Revolutie werd die moraal in naam van de vooruitgang aangepast; men erkende dat ondeugd nodig was om uiteindelijk een ideale wereld mogelijk te maken waarin deugd een nieuwe kans zou krijgen bij een hogere levensstandaard. Egoïsme werd dus welbegrepen eigenbelang, schuld werd krediet. Neutralere termen voor een nieuwe wereld.

Die levensstandaard is er inmiddels, maar hoe de geest van inhaligheid en gulzigheid weer in de fles te krijgen? Door het goede leven als uitgangspunt te nemen bij beleid, en groei daarvoor niet als voorwaarde te zien. Hun definitie van dit goede leven, dat een sterke gezondheidszorg, goed onderwijs, sociale samenhang en een verstandige omgang met de natuur behelst, brouwen de Skidelskys uit filosofie, een snufje katholicisme en natuurlijk een flinke scheut Keynes.

Robert Skidelsky spiegelt zich duidelijk aan zijn geliefde voorbeeld Keynes, die zich bekommerde om de samenleving als geheel, in een tijd die sterk werd bepaald door het verheffingsideaal en een gedeeld moreel kader. Daarvan is, een individualiserings- en een consumptierevolutie later, geen sprake meer. Als wereldbeelden lifestyles zijn, is een maatstaf als het goede leven, hoe aantrekkelijk ook, dan nog nationaal te definiëren? Toch, het zinnetje ‘wij wijzen eindeloze groei af omdat die doelloos is’, afkomstig van een vooraanstaand econoom, is verfrissend genoeg om gelezen te worden.

Misschien is de minst arbitraire reden om de samenleving anders in te richten voorlopig heel gewoon economisch van aard. In The Price of Inequality betoogt Joseph Stiglitz dat de Amerikaanse samenleving geheel is ingericht op de 1 tot 10 procent van veelverdieners en dat hun spendeerdrift en spaartegoeden niet langer opwegen tegen de kosten van de sociale ellende onderop. Overtuigend laat Stiglitz zien hoe de ongelijkheid in de VS groteske vormen heeft aangenomen, door globalisering, technologie maar in zijn ogen voorál door overheidsbeleid.

Machtsmonopolies, informatievoorsprong en lobbykracht hebben ervoor gezorgd dat wetten, politiek en media in de VS gestroomlijnd zijn om de rijken te bevoordelen. Ook de roep om een kleinere overheid is volgens Stiglitz een ‘frame’ waarmee de rijken zichzelf bevoordelen. Een samenzwering noemt hij dit alles nog net niet, maar de morele verontwaardiging over de enorme sociale ellende en verspilling van talent die van deze economische en politieke perversie het gevolg is, spat van de pagina’s.

Stiglitz komt met de volgende suggesties: leg banken restricties op als het gaat om risico’s nemen; verbied overheidsinstituties om in derivaten te stappen; toom creditcardmaatschappijen in; room bonussen af; belast de rijken tot 70 procent; hervorm het ondernemingsrecht; doorbreek monopolies; schrap verborgen subsidies; versterk vakbonden en onderwijs.

Waar Stiglitz voorstelt vanwege het informatievoordeel alle risico’s bij lenende partijen te leggen, laten de Skidelskys het op het vlak van voorstellen wat afweten. Zij lijken met hun oproep tot korter werken, een basisinkomen en een verbod op reclame vooral de verzorgingsstaat terug te willen halen.

Maar de Skidelskys maken in hun moraliteit wel duidelijker wat er gebeurt. Hier roept de economie de politiek op de markt streng en serieus tegenspel te bieden. Om in plaats van de taal van rendement de taal van rechtvaardigheid, eerlijkheid en herverdeling te spreken, omdat hele samenlevingen op het spel staan. Uiteindelijk ligt het primaat bij politieke visie. Uiteindelijk, citeren de Skidelskys Keynes, zouden economen net zo nodig moeten zijn als tandartsen – een keer per half jaar, ter controle. En uiteindelijk, citeren ze hem nogmaals, ‘kunnen we de samenleving pas veranderen als we onszelf toestaan het oordeel van de boekhouders niet te gehoorzamen.’

Robert Skidelsky & Edward Skidelsky: How much is enough? The Love of Money and the Case for the Good Life. Allen Lane, 243 blz. € 25,-

J. E. Stiglitz: The Price of Inequality. Allen Lane, 414 blz. € 21,-