Gij zult herverdelen

De moraal is terug in de economie, en hoe. Vooraanstaande economen roepen de politiek op het heft veel meer in handen te nemen. ‘Het draait niet om geld.’

Een oudere dame passeert een luxe winkel in Hong Kong, waar de kloof tussen rijk en arm almaar breder wordt. Foto AFP/Philippe Lopez

Het moralisme is terug. Dat het volk moreel verontwaardigd is, is normaal – de mens heeft sterke morele instincten, zeker zolang het over anderen gaat. Dat filosofen zich met moraal bezig houden is hun vak. Dat christelijke politici zich er druk over maken is logisch. Maar als een aantal vooraanstaande economen zich los van elkaar gelijktijdig tot de moraal bekeert, ja dan, dan is het moralisme echt back in town.

‘Economie moet weer een morele wetenschap worden’, schrijven econoom en Keynes-expert Robert Skidelsky en zijn zoon, de filosoof Edward Skidelsky, in How Much is Enough?. ‘Finance dient hogere doelen, het draait niet om geld,’ aldus Yale-econoom Robert J. Shiller in Finance and the Good Society. En Nobelprijswinnaar Robert Stiglitz schrijft in The Price of Inequality: ‘Het moreel verval zit in het hart van ons economisch systeem.’

Drie kort na elkaar verschenen boeken over de economische ontwrichting en hoe die te redresseren, van vooraanstaande economen die niet in de frontlinie verkeren en daarom verder kunnen kijken dan de volgende afwaardering of kapitaalinjectie. En dan is het oordeel eensluidend. Natuurlijk moeten we ons een weg groeien uit de huidige recessie, ‘maar dat is niet meer dan Prozac om de patiënt op de been te helpen’, aldus de Skidelskys. Daarna is het hoog tijd om de wereld van het geld weer in te passen in de reële economie en ervoor te zorgen dat winst weer het middel wordt en niet het doel. En volgens sommigen zelfs om af te zien van groei als belangrijkste maatstaf.

Het werd tijd voor wat moraaleconomie. Milton Friedmans adagium ‘never waste a good crisis’ lag ten tijde van de hypotheekcrisis nog velen in de mond bestorven. Tijdens de bankencrisis hoorde je het al minder en nu is er helemaal geen ruimte meer voor. Financiële markten gedragen zich als heroïnejunkies: ’s ochtends een shot, ’s middags alweer behoeftig. Samenlevingen worden tot het uiterste opgerekt en dreigen onherstelbaar te scheuren. Moe getergde Europese politici schrapen noodfondsen bijeen maar lijken verder machteloos te staan. De kloof tussen arm en rijk is in Europa het wijdst sinds 30 jaar (volgens de OESO, eind 2011) en kan in de Verenigde Staten gerust obsceen genoemd worden.

Zijn al die zaken een gegeven? Leven we technologisch in de 21ste, maar economisch gezien opnieuw aan het begin van een 19de eeuw? En kunnen politici echt niet anders dan met vallen en opstaan doorgaan op de ingeslagen weg? De Occupy-demonstranten vonden duidelijk van niet, maar toen het om een alternatief ging, waren ze opeens nergens meer te bekennen. Hoe zit het wat dat betreft eigenlijk met de mensen die het weten kunnen, de economen? Moeten economen niet, zoals John Maynard Keynes schreef op het diepst van de depressie van de jaren dertig ‘de ballast van het heden afwerpen en opstijgen, de toekomst in’? Wordt het niet hoog tijd voor een nieuw economisch Grand Design?

Nee, niet echt, vindt Robert J. Shiller. Want zonder een flinke financiële sector geen vooruitgang en geen innovatie. Wel is het zaak de haute finance te democratiseren, aan banden te leggen en aan te passen aan de 21ste eeuw. Ook moet Wall Street meer moreel besef bijgebracht worden en moeten economen het publiek beter uitleggen waarom CEO’s zo veel moeten verdienen. Lef kan Shiller daarmee niet ontzegd worden. In een tijd vol bankschandalen waarin zelfs het IMF concludeert dat krimp van de financiële sector economieën ten goede komt, schrijft hij unverfroren dat de financiële sector de vrije teugel moet krijgen.

Al die schandalen leiden volgens hem de aandacht alleen maar af van de verdiensten van de financiële sector. Het ressentiment tegen bankiers is daarom niet alleen overtrokken, maar ook gevaarlijk, omdat het kan uitmonden in oorlog. Shiller schrijft het echt, en zelfs een paar keer. Alsof het de woede op bankiers is die tot oorlog kan leiden, en niet de financiële ontwrichting die het gevolg is van hun handelen. En alsof een Yale-econoom aanleiding en oorzaak niet uit elkaar zou moeten kunnen houden.

Shillers boek bevat interessante ideeën voor slimme financiële innovaties, maar lijkt toch vooral bedoeld als een verdediging van het geldgilde. Zijn titel maakt de auteur daarnaast niet waar. Een goede maatschappij, schrijft hij, wordt doorgaans opgevat als ‘een egalitaire samenleving waarin iedereen respect heeft voor elkaar’. Maar veel meer woorden maakt hij er niet aan vuil. Het terugdringen van ongelijkheid zou natuurlijk mooi zijn, maar veroorzaakt te snel het terugvallen van het BBP. Beter is het, met morele opvoeding de rijken aan te zetten tot meer filantropie en de armen te leren om te gaan met de vernedering van het aalmoes.

Daarmee heeft Shiller de tijdgeest alleen met de titel van zijn boek aangevoeld. Een goede samenleving is méér dan een sterke economie. Sterker, juist omdat die twee zaken tegenwoordig samenvallen, zitten we nu in de problemen. Dat betogen tenminste vader en zoon Skidelsky in How Much is Enough. The Love of Money and the Case for the Good Life, dat het tegenovergestelde uitgangspunt heeft. De twee gaan niet uit van de financiële sector, maar kijken eerst naar de gewenste maatschappelijke uitkomst.

Heeft economische groei eigenlijk een einddatum? Komt er een moment dat iedereen genoeg heeft? Economische founding fathers, zoals Adam Smith en ook John Maynard Keynes dachten van wel. In 1930 schreef Keynes een klein essay, Economic Possibilities for our Grandchildren, waarin hij stelde dat na honderd jaar een plateau bereikt zou zijn. Tegen 2030 zou iedereen genoeg hebben, niemand zou nog veel hoeven werken, waarna de mens voor het eerst in de geschiedenis zijn leven zou kunnen doorbrengen in leisure. Dat is geen niets doen, haasten de Skidelsky’s te verduidelijken. Het gaat om zinvolle activiteiten, om zelfontplooiing, zorg voor naasten en andere zaken die de kwaliteit van leven bevorderen.

In alle religies en filosofische doctrines, aldus de twee, heerst een afkeer van het exces. Steeds is er de oproep tot gematigdheid, omdat de gemeenschap al te grote verschillen niet overleeft. Ook draait het altijd om geestelijke ontwikkeling en meer dan werk alleen. Het is zaak deze fundamentele ideeën over wat een goed leven is af te stoffen, om tot een beter kapitalisme te komen.

Politici moeten voortaan dat ‘goede leven’ als uitgangspunt nemen bij hun beleid, niet groei als zodanig. Sterker, de groei van het BBP is voor sommige aspecten van het goede leven te ver doorgeschoten, aldus de twee, die met statistieken komen over de toename van welvaartsziektes en inkomensongelijkheid.

Hun taartgrafiek over de verdeling van rijkdom in Groot-Brittannië is daarbij zeer aanschouwelijk. In 1973 had de onderste helft nog twintig procent, nu nog maar een piepklein wit reepje van de taart. Geen wonder dat van het zogeheten Trickle Down-effect in economieland momenteel afscheid wordt genomen. Het blijkt niet waar dat iedereen profiteert als de hele taart groter wordt.

How Much is Enough is vooral de moeite waard om de mooi verwoorde cultuurkritiek die er het hart van vormt. Elegant mengen de Skidelsky’s economie, filosofie en literatuur dooreen en herstellen zo – althans voor de duur van hun boek – de band tussen de financiële wereld en de samenleving. In het hart van de moderne economie ligt een Faustiaans contract, aldus de twee, een deal met de duivel. Eeuwenlang was de wereld doordrongen van (kerkelijke, volkse) moraal. Na de Industriële Revolutie werd die moraal in naam van de vooruitgang aangepast; men erkende dat ondeugd nodig was om uiteindelijk een ideale wereld mogelijk te maken waarin deugd een nieuwe kans zou krijgen bij een hogere levensstandaard. Egoïsme werd dus welbegrepen eigenbelang, schuld werd krediet. Neutralere termen voor een nieuwe wereld.

Die levensstandaard is er inmiddels, maar hoe de geest van inhaligheid en gulzigheid weer in de fles te krijgen? Door het goede leven als uitgangspunt te nemen bij beleid, en groei daarvoor niet als voorwaarde te zien. Hun definitie van dit goede leven, dat een sterke gezondheidszorg, goed onderwijs, sociale samenhang en een verstandige omgang met de natuur behelst, brouwen de Skidelsky’s uit filosofie, een snufje katholicisme en natuurlijk een flinke scheut Keynes.

Robert Skidelsky, biograaf van Keynes en zelf opgeleid ten tijde van de verzorgingsstaat, spiegelt zich duidelijk aan zijn geliefde voorbeeld. Keynes bekommerde zich om de samenleving als geheel, in een tijd die sterk bepaald werd door het verheffingsideaal en een gedeeld moreel kader. Daarvan is, een individualiserings- en een consumptierevolutie later, geen sprake meer. Als wereldbeelden lifestyles zijn, is een maatstaf als het goede leven, hoe aantrekkelijk ook, dan nog nationaal te definiëren? Toch, het zinnetje ‘wij wijzen eindeloze groei af omdat die doelloos is’, afkomstig van een vooraanstaand econoom, is verfrissend genoeg om door velen gelezen te worden.

Misschien is de minst arbitraire reden om de samenleving anders in te richten voorlopig heel gewoon economisch van aard. In The Price of Inequality betoogt Joseph Stiglitz dat de Amerikaanse samenleving inmiddels geheel is ingericht op de 1 tot 10 procent van veelverdieners en dat hun spendeerdrift en spaartegoeden niet langer opwegen tegen de kosten van de sociale ellende onderop. Overtuigend laat Stiglitz zien hoe de ongelijkheid in de VS groteske vormen heeft aangenomen, door globalisering, technologie maar in zijn ogen voorál door overheidsbeleid.

Machtsmonopolies, informatievoorsprong en lobbykracht hebben ervoor gezorgd dat wetten, politiek en media in de Verenigde Staten gestroomlijnd zijn om de rijken te bevoordelen. Ook de roep om een kleinere overheid is volgens Stiglitz een ‘frame’ waarmee de rijken zichzelf bevoordelen. Een samenzwering noemt hij dit alles nog net niet, maar de morele verontwaardiging over de enorme sociale ellende en verspilling van talent die van deze economische en politieke perversie het gevolg is, spat van de pagina’s.

Voor alle boeken geldt dat alleen het slothoofdstuk gewijd is aan suggesties voor uitwegen. Verhoudingsgewijs is Stiglitz’ slot het langst, het volst en het volledigst. Leg banken restricties op als het gaat om risico’s nemen. Verbied overheidsinstituties om in derivaten te stappen. Toom creditcardmaatschappijen in, room bonussen af, belast de rijken tot 70 procent. Hervorm het ondernemingsrecht, doorbreek monopolies, schrap verborgen subsidies, versterk vakbonden en onderwijs, enzovoort.

Shiller komt met voorstellen die gezien de huidige machtsverhouding tussen financiële sector en politiek wellicht reëler zijn. Waar Stiglitz voorstelt vanwege het informatievoordeel alle risico’s bij lenende partijen te leggen, suggereert Shiller hypotheken veel flexibeler te maken zodat de schuldenlast meer mee beweegt met conjunctuurgolven in economie en huizenmarkt. De Skidelsky’s laten het op het vlak van voorstellen wat afweten. Zij lijken met hun oproep tot korter werken, een basisinkomen en een verbod op reclame vooral de verzorgingsstaat terug te willen halen.

Maar de Skidelsky’s maken in hun moraliteit wel het meest duidelijk wat hier gebeurt. Hier roept de economie de politiek op de markt streng en serieus tegenspel te bieden. Om in plaats van de taal van rendement de taal van rechtvaardigheid, eerlijkheid en herverdeling te spreken, omdat hele samenlevingen op het spel staan. Uiteindelijk ligt het primaat bij politieke visie. Uiteindelijk, citeren de Skidelsky’s Keynes, zouden economen net zo nodig moeten zijn als tandartsen – een keer per half jaar, ter controle. En uiteindelijk, citeren ze hem nogmaals, ‘kunnen we de samenleving pas veranderen als we onszelf toestaan het oordeel van de boekhouders niet te gehoorzamen.’