Een plek in de toptien lijkt voorlopig illusie

Nederland wil met sport tot de wereldelite behoren. Bestuurders en politici filosoferen graag over een plaats bij de tien beste landen. Maar dat kost heel veel geld.

Twaalf jaar geleden in Sydney voltrok zich een olympisch wonder. Nederland, dat stipje aan de Noordzee, bereikte bij de Spelen de achtste plaats in het medailleklassement. Voor het eerst een plaats in de toptien. Een ambitie was geboren. Sportkoepel NOC*NSF streeft sindsdien bij elke Spelen naar een plaats bij de beste tien landen ter wereld. Maar hoe reëel is die wens?

Op basis van de bevolkingsomvang en het bruto nationaal product is dat te hoog gegrepen. Deskundigen hebben op grond van vooral die uitgangspunten ooit berekend dat Nederland tussen de plaatsen tien en vijftien thuishoort.

Maar als er financieel fors wordt geïnvesteerd en sporters op een intelligente manier worden opgeleid, dan is de toptien zelfs voor een landje met bijna zeventien miljoen inwoners haalbaar. Zie Australië, qua inwonertal goed te vergelijken met Nederland. De ‘Aussies’ haalden de laatste jaren structureel de topzes op de medaillespiegel van de Zomerspelen.

Als Australië de norm voor Nederland is, moet het budget voor topsport drastisch omhoog. Waar chef de mission Maurits Hendriks ter voorbereiding op de Olympische Spelen in Londen zo’n 50 miljoen euro in vier jaar mocht besteden, hadden de Australische sporters 275 miljoen euro – meer dan het vijfvoudige – tot hun beschikking.

Tegen die achtergrond was het niet verwonderlijk dat de Studie Toptien, die NOC*NSF twee jaar geleden heeft laten uitvoeren, leerde dat een plek tussen de elitesportlanden minstens 200 miljoen euro in vier jaar gaat kosten. Dat is ongeveer gelijk aan het huidige overheidsbudget voor sport in Nederland.

Gesteld dat Nederland in de voetsporen van Australië wil treden, is een cultuuromslag dringend noodzakelijk. Het vorige kabinet heeft zich onder premier Jan Peter Balkenende weliswaar geschaard achter de toptien-ambitie, maar vooralsnog wordt dat voornemen financieel niet ondersteund.

Een plek in de toptien bij de Olympische Spelen in Londen lijkt op grond van de kille cijfers een illusie, hoe hard bij NOC*NSF ook wordt geroepen dat dit doel wordt nagestreefd.

Chef de mission Hendriks zei gisteren op een persconferentie nog dat „de toptien-ambitie recht overeind staat.” Maar hij voegde er wijselijk wel aan toe dat de concurrentie moordend is. Diep in zijn hart moet Hendriks weten dat een dergelijke ambitie onhaalbaar is. Daarom wordt binnen NOC*NSF liever gesproken over de doelstelling 16+1, waarmee bedoeld wordt dat er wordt gemikt op meer medailles dan de zestien die vier jaar geleden bij de Spelen in Peking werden gehaald.