Een empathische dichter-dominee

Jacob Revius was een steile, erudiete calvinist. De literaire schoonheid van de Statenvertaling danken we aan hem.

In een beschouwing over de relatie tussen geschiedschrijving en biografie schrijft de Leidse historicus H.L. Wesseling dat de biograaf, sinds de geschiedenisbeoefening in de 19de eeuw professionaliseerde, een middenweg bewandelt tussen geschiedenis en literatuur. Enny de Bruijn laat in haar gedegen proefschrift over de 17de-eeuwse dichter en theoloog Jacob Revius zien dat een biografie heel literair kan zijn.

Dat begint al direct in de inleiding, waarin ze een aantal manieren aangeeft hoe ze Revius’ biografie had kunnen beginnen, om vervolgens te beargumenteren waarom ze het niet zo gedaan heeft. Door de informatie die ze op die wijze aanreikt, zit je direct op het puntje van je stoel. Als neerlandica en als redacteur cultuur bij het Reformatorisch Dagblad weet De Bruijn hoe ze de lezer moet inpakken.

Het leven van Jacob Revius valt grotendeels in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1658). Als baby ontvlucht hij in de armen van zijn moeder zijn geboortestad Deventer nadat die in Spaanse handen is gevallen. Na de herovering van Deventer door prins Maurits vier jaar later blijft het gezin in Amsterdam, waar vader een succesvol zakenman is. Als Jacob twaalf is, overlijdt zijn vader. Nadat hij de Latijnse school voltooid heeft, besluit zijn moeder terug te keren naar Deventer. Met een studiebeurs van zijn geboortestad gaat hij theologie studeren in Leiden, in ruil waarvoor hij toezegt predikant in Deventer te worden. Na drie jaar in Leiden studeert hij verder aan de Universiteit van Franeker en reist dan nog twee jaar door Frankrijk. Zo verblijft hij in 1611 enige maanden in Orléans, als bestuurslid van de Nederlands-Duitse studentenvereniging. Zijn dichterlijke aanleg en zijn welsprekendheid treden dan al aan de dag, zo laten de bronnen zien die De Bruijn daar traceerde.

Onwaardig

Na afronding van zijn studie wordt Revius echter geen dominee in Deventer, maar in Zeddam in de Achterhoek. Zijn voorganger daar heeft zich onwaardig gedragen en Revius moet orde op zaken stellen. Hij lost de problemen zo goed op dat hij als troubleshooter naar Aalten-Winterswijk wordt gestuurd. Maar dan is Deventer toch echt aan de beurt. De stad heeft zijn studietoelage niet voor niets betaald.

Van 1614 tot 1641 zal hij Deventer trouw blijven, als predikant maar ook als historieschrijver. Hij maakt in die tijd ook het overgrote deel van zijn dichtwerk, dat De Bruijn uitvoerig bespreekt. Ze laat zien hoe in de gedichten niet een in eenzaamheid mediterend mens spreekt, maar een prediker die het individu in de massa wil bereiken. Een echte dichter-dominee.

Als gereformeerd predikant is Revius steil in de calvinistische leer, maar in de omgang met gemeenteleden die zich misdragen toont hij mededogen. Hij keert zich fel tegen collega’s met remonstrantse sympathieën, maar over misstappen van de gewone gelovigen schrijft hij in het gedicht ‘Ouderling’: ‘Wees den swacken niet te string, Denckt hoe Christus ons om-ving, doe hij aanden cruyce hing […].’

Over kwesties waarover de emoties hoog oplopen, zoals lang haar bij mannen, maakt hij zich nauwelijks druk. Adam had lang haar in het paradijs, want die had nog niets om het te knippen. Ook met toneel heeft hij minder moeite dan veel van zijn tijdgenoten. Principieel is hij in de hoofdzaak, pragmatisch in bijzaken. Onwillekeurig bespeur je hier De Bruijns vermanend vingertje in de richting van het reformatorische volksdeel.

Revius is een erudiet man. Hij weet zich mondeling en schriftelijk uit te drukken in Latijn, Grieks, Frans, Duits, Engels, Spaans, Italiaans, Hebreeuws, Syrisch, Chaldeeuws en Arabisch. Hij vertaalt de Nederlandse Geloofsbelijdenis in het Grieks. De vertaling krijgt zelfs een enthousiast onthaal bij de antipaapse patriarch van Constantinopel. Het ligt dan ook voor de hand dat de Deventer stadsdominee als deskundig filoloog, rechtzinnig theoloog en begaafd dichter betrokken wordt bij de totstandkoming van de vertaling van de Bijbel, waartoe de Synode van Dordrecht in 1618/19 opdracht gaf. Hoewel het moeilijk is om passages in deze Statenvertaling op een bepaalde auteur terug te voeren, wordt toch verondersteld dat Revius de hand had in de ‘kloeke stijl’ en taalkundige schoonheid van deze bijbel , die in 1637 wordt voltooid. Het beraad over de vertaling, in Leiden, kost hem wel veel tijd, zodat de kerkenraad van Deventer hem ter verantwoording roept wegens ambtsverzuim. Sorry, schrijft hij terug, maar de Staten en de synode vertegenwoordigen nu eenmaal hoger gezag. Bovendien voelt hij zich van Godswege tot deze taak geroepen. Elke gelovige moet de Bijbel immers kunnen lezen in zijn moerstaal.

Zwangere dienstmeiden

Op zijn 55ste verhuist Revius definitief naar Leiden, waar hij is benoemd als regent van het Statencollege. Hij geeft er leiding aan de opleiding van theologiestudenten en komt aan het hoofd te staan van een soort theologische campus, met alle problemen die daarbij horen, zoals dronkenschap, geluidshinder, vechtpartijen en zwangere dienstmeiden.

Zijn verhuizing naar Leiden plaatst hem in het hart van het theologisch en filosofisch debat van zijn tijd. Het brengt hem in conflict met Descartes, wiens mechanische, materialistische wereldbeeld hij niet kan delen. Hij vindt hem een geleerd en scherpzinnig man, maar iemand die in het verkeerde kamp zit.

Revius’ nieuwe activiteiten gaan ten koste van zijn dichterschap, hij vindt er kennelijk de rust niet meer voor. Schitterend is het hoofdstuk over de enige Marokkaanse theologiestudent in Leiden, Johannes Maurus, een bekeerde moslim die zich tot ‘nationale troetelstudent’ weet te ontwikkelen. Met zichtbaar plezier en ingehouden ironie opgeschreven.

De Bruijn heeft een immense hoeveelheid, ook tot dusver onbekende, teksten van Revius doorgewerkt. In haar voorwoord vertelt ze met smaak hoe ze in een wegrestaurant aan de A12 het enige exemplaar krijgt aangereikt van Revius’ eerste Leidse disputatiebundel, afkomstig uit een Duitse bibliotheek.

De Bruijn heeft zich om alles van Revius te kunnen lezen het Latijn eigen gemaakt. Uit alles spreekt enthousiaste betrokkenheid op haar hoofdpersoon. En die heeft het zijn biograaf niet makkelijk gemaakt. Want hij schreef veel, maar over zijn persoonlijk leven is hij niet erg mededeelzaam, zelfs niet in zijn autobiografische notities. Maar door een zorgvuldige tekening van de politieke, maatschappelijke en culturele context waarin hij werkte weet De Bruijn dat effectief op te vangen. Uitgeschreven preken van Revius heeft ze niet gevonden. Maar preekte een zo welsprekende dominee niet uit zijn hoofd?