De grootste vergissing uit de geschiedenis

‘Verbluffende brutaliteit”, zo typeerde Ivan Rioufol, commentator voor Le Figaro, het interview dat eurocommissaris Malmström onlangs gaf in Le Monde. Malmström is eurocommissaris voor Europese Binnenlandse Zaken, en daaronder valt volgens de Europese Unie ook het immigratiebeleid van de lidstaten.

In het interview roept Malmström de lidstaten op immigratie niet als dreiging, maar als kans te zien. Een „factor voor groei”. Volgens haar hebben werkgevers behoefte aan arbeidskrachten. Ze erkent het bestaan van integratieproblemen en gettovorming, maar wijt dat aan de „gebrekkige daadkracht” van nationale politici. Eerder waarschuwde Malmström al voor de opkomst van „populisme en xenofobie”. Immigratie, stelde ze, leeft meer onder sommige politici dan onder burgers – die „staan er dikwijls meer voor open”.

„De geschiedenis zal de capitulatie van hen die in Europa verantwoordelijk waren voor de immigratie niet vergeten”, beet Rioufol haar toe. Malmström laat de „blindheid van de elites ten aanzien van het multiculturalisme” zien. Europa is voor hen een „immens hotel, een aankomsthal van een vliegveld, waar iedereen zijn plaats heeft op grond van uitsluitend zijn technische, economische of reproductieve nuttigheid”.

De contouren van de discussie zijn bekend. In Nederland woedt hetzelfde debat. Desondanks wordt een aantal feiten rondom immigratie maar niet helder. Wat zijn de kosten? Wat is de rol van religie? Wat is het aandeel van immigranten in het sociale vangnet, in de criminaliteit? Kortom: wie heeft er gelijk, Malmström of Rioufol?

Journalist Joost Niemöller deed een poging tot opheldering. Deze lente publiceerde hij het boek Het Immigratietaboe. 10 Wetenschappers over de feiten (Uitgeverij Van Praag, Amsterdam). Hierin maakt hij een rondgang langs belangrijke, soms internationaal vermaarde onderzoekers die zich hebben beziggehouden met het immigatievraagstuk. Niet om te oordelen, maar om het debat los te weken van de instinctieve afweerreacties die het dikwijls vertroebelen.

Een indrukwekkende prestatie. Vooral omdat Niemöller harde conclusies trekt zonder de nuance te verliezen. Hij reconstrueert de ministerraden in de jaren zeventig – toen besloten werd dat de gastarbeiders zich permanent in Nederland mochten vestigen en zelfs hun echtgenotes en kinderen mochten laten overkomen; hij haalt talloze rapporten aan waaruit de toegenomen druk op het onderwijs, op de verzorgingsstaat en op de veiligheid blijkt; en hij legt uit waarom de huidige – veelal Europese – wetgeving voor nog veel meer immigratie zal zorgen.

In totaal kwamen er volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek de afgelopen vijf jaar 721.000 mensen naar Nederland – gemiddeld zo’n 144.000 per jaar.

Er is ook aanzienlijke emigratie geweest – gemiddeld zo’n 122.000 per jaar. Die emigratie compenseert ten dele de netto bevolkingsgroei die immigratie veroorzaakt – hoewel die niettemin substantieel blijft. Maar het relativeert natuurlijk níét de problemen die de immigratie met zich meebrengt. Want de emigranten waren dikwijls hoger opgeleid en goed geïntegreerd, terwijl immigranten meestal laagopgeleid zijn en nog níét geintegreerd. Ook is er – bijvoorbeeld via onderwijs – geïnvesteerd in degenen die vertrekken. Die investering verdwijnt door hun verhuizing naar het buitenland.

Vrij uitgebreid gaat Het Immigratietaboe vervolgens in op de veelgehoorde stelling dat immigratie noodzakelijk is om de vergrijzing hanteerbaar te houden. Die berust op een denkfout, stelt Niemöller. Zulke immigratie lost het probleem niet op – maar houdt het juist in stand: de immigranten worden immers ook oud, waardoor een nieuwe vergrijzingsgolf ontstaat. Op korte termijn hebben de werkgevers niettemin voordeel bij zulke immigratie, analyseert hij. Daarom lobbyen zij hiervoor, bijvoorbeeld via de EU. En voor de kosten zullen ze toch niet verantwoordelijk worden gehouden.

Maar deze kosten – en dat is de kern van het boek – zijn niet het hele verhaal. De prijs van immigratie gaat verder dan de portemonnee. Zij kan op termijn het hele bouwwerk van de samenleving ontwrichten. Niemöller haalt onderzoek aan van de beroemde Amerikaanse socioloog Robert Putnam, die onderzocht wat het effect is van ‘etnische’ – in Nederland zouden we eerder zeggen: ‘culturele’ – diversiteit op maatschappelijk vertrouwen, op burgerschap, op stempercentages, betrokkenheid bij vrijwilligerswerk, enzovoorts. De uitkomst is verontrustend:

„Meer etnische diversiteit, dan ook minder vertrouwen. Hoe meer etnische verschillen, des te groter de neiging om elkaar te bedriegen. In leefgemeenschappen met meer etnische homogeniteit blijkt het vertrouwen tussen de mensen juist hoog.”

Mogelijk kunnen mensen die verschillen ook weer overbruggen: door gedeelde ervaringen, uitwisseling en onderling huwen. Maar bij voortdurende immigratie krijgt dat proces geen kans.

In 2008 vond 57 procent van de Nederlanders de immigratie „de grootste vergissing uit de Nederlandse geschiedenis”. Slechts 10 procent van de bevolking steunde het beleid. Wat zal men dan vinden van de grote immigratie die ons (vanwege EU-beleid) nog te wachten staat?

Iets wat zoveel kosten met zich meebrengt, wat door zo’n overweldigende meerderheid wordt afgewezen en wat het risico in zich draagt onze natie diepgravend en blijvend te ontwrichten – zo’n beleid niettemin doordrukken, zoals Cecilia Malmström en de Europese Unie van plan zijn: dat getuigt inderdaad van „verbluffende brutaliteit”.