Brieven; De Geer en WO II

De Geer en WO II

Drie weken geleden reageerde Cees Fasseur op een recensie van mijn biografie van de vooroorlogse politicus Dirk de Geer (‘Een eenzaam staatsman’, Boeken, 08.06.2012). Dat hij die behoefte voelde begrijp ik wel, want ik lever in dat boek de nodige kritiek op hem en andere historici. Het is jammer dat hij in zijn stuk niet het belangrijkste punt van kritiek noemde dat ook de aanleiding vormde voor prof. Ruud Koole om tijdens mijn promotie te spreken van ‘Diederik Stapel-achtige toestanden’.

Fasseur beweert in zijn biografie van koningin Wilhelmina dat De Geer in de zomer van 1940 een eenzijdige vrede met Hitler wilde sluiten. Uit de notulen van het kabinet blijkt echter duidelijk dat hij dat nooit heeft voorgesteld. Fasseur heeft dat kennelijk nooit gecontroleerd, maar volgde de uitspraken die Gerbrandy daarover na WO II deed.

Waarom is dit punt van belang? Na de oorlog wilde Gerbrandy hiermee aantonen dat Wilhelmina De Geer terecht in september 1940 dwong om af te treden door met een constitutionele crisis te dreigen. Gerbrandy had als enige de politieke verantwoordelijkheid genomen voor de nogal drieste stappen van de koningin die zelfs Lou de Jong op de rand van het constitutionele vond.

Het is niet de enige historische onjuistheid die na de oorlog over De Geer is gedebiteerd, zo heb ik uiteengezet. Wilde ik het blazoen van De Geer oppoetsen? Absoluut niet. Ik heb niet meer met De Geer dan met Colijn of een andere politieke leider uit het interbellum.

Ik besloot een biografie van De Geer te maken toen mij de verschillen in de commentaren van voor en na de oorlog over de CHU-politicus in het oog vielen. In 1939 prees Stuuf Wiardi Beckman hem de hemel in, terwijl zijn partijgenoot Marinus van der Goes van Naters De Geer in 1946 een imbeciel noemde. Deze tegenstelling prikkelde mijn historische nieuwsgierigheid.

In zijn brief aan deze krant zette Fasseur zijn stelling dat Wilhelmina zich terecht ontdeed van De Geer kracht bij door onder meer te wijzen naar een uitspraak van een Duitser (en niet van ‘de Duitsers’, zoals Fasseur schreef) die hem in 1939 eens aan een borreltafel omschreef als een ‘alter Mummelgreis’. Zelf vind ik dat geen sterk argument, maar ik laat het oordeel aan de lezer over.Meindert van der Kaaij, Oegstgeest

Architect van het voetstuk

‘De architect is van zijn voetstuk gestapt’ kopte het Zomerinterview met de redacteur van het Jaarboek architectuur in Nederland Kees van der Hoeven. (Boeken, 06.07.2012). Dat worden toch nog mooie tijden, dacht ik. De evaluatie van 25 jaar Jaarboek architectuur in Nederland lijkt tot een heuse revolutie te leiden.

Maar toen: welk voetstuk eigenlijk en wie heeft hem daarop geplaatst? De architectuurconsument niet, nee, hij deed het zelf, omhooggelikt door zijn hofhouding. Waarom is hij nu dan van zijn voetstuk afgestapt? Heeft hij nu eindelijk het licht gezien? Of komt hij door de crisis tot het inzicht dat hij de architectuurconsument moet behagen zoals de grutter doet?

Helaas, het zelfreinigend vermogen van deze beroepsgroep zal even groot blijken als die van de redacteuren van het Jaarboek: het is er niet. Dit blijkt uit de halsstarrige waardering voor het enige gebouw dat voorkomt op alle redacteuren-toptien lijstjes: de Kunsthal van Rem Koolhaas in Rotterdam. Interviewer Hulsman vraagt: ‘Grappig genoeg is dat een gebouw waarover bezoekers al sinds de opening klagen’. Niks grappig. Een mislukt gebouw als je Kunsthal-consument bent. Waarom zakt deze gebakken lucht ook niet door de nieuwe ‘schuimspaan van de tijd’?

Van der Hoeven antwoordt: ‘Het is ruimtelijk interessant en veel is echt anders dan je gewend bent. [...] Het roept direct vragen op en ik denk dat een gebouw dat geen vragen oproept of dat je met één blik kunt doorgronden, beslist minder boeiend is.’

Ja, ja, vaker gehoord. Boeiend? Voor wie? Slopen die hap!

Hans Mulder, oud-hoofdredacteur BOUW, oud-uitgever Archis