Brief over het Internationaal Strafhof

Strafhof verdient juist lof

Het commentaar dat het Internationaal Strafhof in Den Haag de verwachtingen niet heeft waargemaakt (NRC Handelsblad, 17 juli), is onterecht. Onderzoek naar wreedheden in zeven Afrikaanse landen heeft al twintig arrestatiebevelen opgeleverd, tegen een zittend staatshoofd, een afgezet staatshoofd, een ex-vicepresident, een vicepremier, ministers en rebellenleiders. Niet lang geleden was zo’n lijst nog ondenkbaar.

Het hof is afhankelijk van de medewerking van staten. De bewijsgaring en bescherming van getuigen vinden plaats in verre conflictsituaties. Er is weliswaar slechts één veroordeling, maar andere processen zijn in volle gang en principiële kwesties zijn in die eerste zaak beslecht.

Het hof is niet „een soort Afrikatribunaal geworden” door het „beperkte blikveld” van ex-hoofdaanklager Moreno-Ocampo. De dag zal komen dat verdachten uit andere landen zullen terechtstaan, maar het hof moet wel bevoegd zijn – door ratificatie of een verzoek van de Veiligheidsraad – en het dient voorrang te geven aan nationale vervolging.

De aantijging dat het hof anti-Afrika zou zijn, komt vooral van kringen rond de aangeklaagde president Bashir van Soedan. Het verzoek van Mali onderzoek te doen naar misdrijven in Noord-Mali toont dat de Afrikaanse oppositie tegen het hof beperkt is. Het Strafhof is nu al van betekenis op het internationale toneel. Duizenden slachtoffers kregen in Den Haag een stem.

Voormalig adviseur van het bureau van de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof