Altijd zelf de eerste klap uitdelen

De Sloveen Lojze Kovacic betovert je met zijn nu bijna geheel vertaalde, grandioze romantrilogie over een lastige jongen, een onhandige vader, armoede en oorlog.

Het eerste wat opvalt als je een willekeurige bladzijde van De nieuwkomers opslaat, is dat Lojze Kovacic hartstochtelijk van het beletselteken houdt... Hij verslaat zelfs Louis-Ferdinand Céline op punten... De reeks van drie punten kent verschillende toepassingen, zoals de aanduiding dat de lezer een niet uitgesproken gedachtegang zelf moet aanvullen. Bij ware grootverbruikers als Céline en Kovacic dient het beletselteken om een pauze te scheppen... een pauze die spanning oproept... drama... en daardoor paradoxalerwijs vaart genereert.

Die drie punten fungeren als het rode knipperlicht bij een spoorwegovergang: ‘Let op, er kan nog een trein komen...’ In De nieuwkomers illustreert dit leesteken de nimmer verslappende opmerkzaamheid van de hoofdpersoon, die ook tot uitdrukking komt in zijn te pas en te onpas gebezigde ‘interessant’.

Het komt daarnaast kinderlijk over, dat overmatig gebruik van het beletselteken, en dat is toepasselijk omdat de hoofdpersoon aan het begin van de trilogie tien jaar oud is. Terugblikkend: ‘In 1928 kwam ik ter wereld. Dat vond ik het allerinteressantst!... Ook al zat Vati diep in de schulden, hij was buiten zinnen van vreugde... die dag rende hij door de werkplaats, gooide stoelen om en riep: “Ein Bub! Ein Bub! Einen Sohn habe ich bekommen!”... Ik kreeg echt een warm gevoel van binnen.’

Bubi Kovacic is een wonderlijk personage. Enerzijds is hij een straatschoffie, een vechtersbaas, de aanvoerder van een jongensbende; met zijn drukke, impulsieve gedrag bezorgt hij zijn ouders veel ellende. Anderzijds is hij gevoelig en fantasierijk; geen moeite is hem te veel om thuis toneelstukjes op te voeren. En op jonge leeftijd ontdekt hij de literatuur.

In deel één van de trilogie, dat twee jaar geleden in Nederlandse vertaling verscheen, konden we lezen over het noodgedwongen vertrek uit Basel van Bubi en zijn ouders, samen met zijn achttien jaar oudere zus Clairie en haar dochtertje Gisela. Dertig jaar hebben zijn Sloveense vader en Duitse moeder in de Zwitserse stad gewoond. ‘Vati’ heeft het als uitmuntend kleermaker tot welstand gebracht, maar in zaken blijkt hij minder handig dan met naald en draad: hij verliest zijn huis en twee winkels. Erger nog is dat hij het Zwitserse staatsburgerschap nooit heeft aangevraagd, reden waarom het gezin aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog wordt uitgewezen. In een toch al gespannen huwelijk leidt het falen van vader tot een voortdurende jammerklacht van moeder.

Het gezin reist naar het Sloveense platteland, waar het door de familie van vaderskant ijskoud ontvangen wordt. Vooral moeder moet het ontgelden – een stadsjuffer, en nog Duits ook. Om die vijandigheid te ontlopen vestigen ze zich in Ljubljana, maar ook in de grote stad blijven ze nieuwkomers.

Met veel moeite leert Bubi Sloveens spreken, en dan nog gebrekkig en met een zwaar accent. Dankzij de harde kant van zijn karakter weet hij zich echter te handhaven: ‘Straatjongens zijn overal op de wereld hetzelfde... als je niet zelf de eerste klap geeft, ben je verloren...’ De oorlog is inmiddels uitgebroken en met de nadering van het oppermachtige Duitse leger beginnen de kinderen op school verdacht aardig tegen hem te doen, ‘... alsof ik een tank van Rommel bestuurde.’

Operettefiguren

Aan het begin van het zojuist in vertaling verschenen tweede deel is Ljubljana inderdaad bezet, echter niet door de Duitsers, maar door Mussolini’s troepen – de Italianen met hun opzichtige uniformen zijn in Bubi’s ogen seksbeluste operettefiguren. Zelf is onze held ook niet ongevoelig voor vrouwelijk schoon, en al op dertienjarige leeftijd verliest hij zijn onschuld. ‘Zo, dus dat was nu neuken, het grootste geheim tussen man en vrouw! Nog erger dan de akeligste gymnastiekoefeningen! Niets interessants aan...’ Hij is die afknapper echter snel te boven, en verlegt zijn belangstelling van pubermeisjes naar volwassen vrouwen, zoals zijn klassenlerares, ‘een forse blondine met borsten als planeten’.

Vati is nu bontwerker, maar ook in Ljubljana doet hij onverstandige investeringen, met hevige armoede tot gevolg; daar komen de ontberingen van het leven in een bezette stad nog bij. Het gezin kan noodzakelijk economisch voordeel behalen door zijn Duitse achtergrond te benadrukken; met tegenzin bezoekt Bubi bijeenkomsten van de Hitlerjugend.

Het grote lichtpunt is de ontdekking van zijn creatieve gaven. Hij tekent en schildert zo knap, dat winkeliers hem betalen voor affiches. ‘Daarna begon ik met beeldverhalen... “Bubi, du zeichnest also auch Comics?” vroeg mama... Ja, inderdaad, stripverhalen, die ik onder mijn medescholieren liet rondgaan... om in de pauze iets te eten te krijgen! [...] Mijn medeleerlingen verslonden de strips alsof ze eraan verslaafd waren... en ook hun ouders lazen ze thuis van begin tot eind...’

Na roemloze deelname aan een tekenwedstrijd ziet hij in dat de kracht van zijn strips minder in de illustraties dan in de avontuurlijke verhalen schuilt. ‘Ik voelde vaag dat ik op een kruispunt was aangeland en moest beslissen welke kant ik op wilde...’ Hij kiest voor de literatuur, loopt de openbare bibliotheek plat, werkt onder leiding van een aimabele lerares aan de verfijning van zijn Sloveens, en spoedig wordt zijn eerste verhaal tegen betaling in een literair tijdschrift gepubliceerd. Het onderwerp van dat verhaal is de dood van zijn vader.

Want dat is het dramatische zwaartepunt van deel twee: Vati heeft met zijn achterhaalde, microscopische accuratesse zijn laatste bontmuts in elkaar gezet. De longlijder sterft onder behoeftige omstandigheden. Het geld dat hij nalaat gaat helemaal op aan zijn kist – de allergoedkoopste, op afbetaling. Op het kerkhof, waar eeuwenoude graven liggen, is Vati voor de zoveelste keer een nieuwkomer. Hopelijk, denkt Bubi, wordt hij door de doden vriendelijker ontvangen dan door de levenden.

In De nieuwkomers, zoals in veel ik-romans over kindertijd en adolescentie, is het vertellend ik een stuk ouder dan het belevend ik. Er zijn spaarzame aanduidingen van de vertelsituatie, dat wil zeggen van een zich herinnerend ik: ‘[...] ook nu nog, na al die jaren, is het alsof ik haar in levenden lijve voor me zie...’

Het meeslepende effect van deze grandioze roman zit hierin dat het volwassen en het jeugdige perspectief volmaakt samenvallen. In de scène op het kerkhof schrijft Kovacic : ‘...En daar ging Vati dan, op de schouders van de zwarte mannen... hij vloog als een kleine zeppelin boven een klein New York...’ Geen kind zou die vergelijking verzinnen, dat doen alleen volwassen vertellers, maar het beeld van de zeppelin past helemaal in de belevingswereld van een jongen die begin jaren veertig geïllustreerde tijdschriften verslindt.

Slimme keuze

Dit dubbele perspectief houdt Kovacic consequent vol. Hij analyseert menselijke verhoudingen met een volwassen blik, hanteert een krachtige, inventieve stijl – en weet met een slimme keuze van metaforen, met extra uitroeptekens en niet te vergeten een overvloed aan punten toch de illusie van een kinderlijke blik te scheppen.

Lojze Kovacic (1928-2004) voltooide zijn trilogie in 1984. In hoeverre de schrijver en zijn hoofdpersoon op elkaar lijken, is mij niet bekend. Behalve hun achternaam en geboortejaar hebben ze gemeen dat ze in staat zijn hun lezers te betoveren. Kovacic’ evocatie van armoede bezorgt je maagpijn, net als Knut Hamsuns Honger (1890). Deel twee eindigt in de chaos van de op handen zijnde bevrijding. Russische troepen naderen Ljubljana, de Duitsers blazen de aftocht. Op de laatste bladzijde barricaderen Bubi en zijn zus de kamerdeur, in afwachting van de wraak van hun stadgenoten... Hopelijk levert Roel Schuyt zijn vertaling van het derde deel snel in.