Wie is de domste?

Domme mensen omringen zich graag met nog dommere mensen. En die op hun beurt ook. Zo wordt de domste mens de maat van alles. En dat is niet slim, stelt Marjolijn Februari.

Aangezien ik te stom ben om alles zelf te bedenken, lees ik veel over de dingen die anderen hebben bedacht. En zo las ik ergens iets over een vondst van Guy Kawasaki. Vroeger was hij voorman van de Apple-evangelisten, die het geloof in het computermerk moesten uitdragen, tegenwoordig is hij durfkapitalist.

Kawasaki had het volgende ontdekt. In een organisatie trekken uitmuntende werknemers, de A-spelers, het liefst medewerkers aan die nog een beetje beter zijn dan zijzelf, A-plus-spelers dus. Maar bij B-spelers ligt dat anders. Uit angst overschaduwd te raken, nemen die het liefst C-spelers aan. En C-spelers nemen D-spelers aan, enzovoort, net zo lang door tot de gehele organisatie uit louter Z-mensen bestaat.

Deze gedachte van Kawasaki liet zich gemakkelijk vertalen naar het grotere spel van de samenleving als geheel. Ook daar houden mensen zich professioneel het liefst bezig met degenen wier blik beperkter is dan de hunne. Niet alleen uit angst overschaduwd te raken, ook omdat het de mogelijkheid biedt neerbuigend te doen of, positief geformuleerd, sociaal bewogen.

Laten we nu voor het gemak aannemen dat u met mij, onnozele stukjesschrijver, een M-speler hebt getroffen. Dan richt ik me nu dus als vanzelf op het verschil tussen M’s en N’nen.

De M’s zijn namelijk, hoewel bijna net zo dom, toch licht superieur aan de N’nen. Het verschil zit hem erin dat de M’s nog net slim genoeg zijn om een vaag besef te hebben van hun eigen beperktheid. Ze horen in de verte de echo van de genieën, lezen nog weleens wat, laten zich zonodig overtuigen door een argument, binden in, kortom, hun nederigheid bestaat eruit dat ze met trots beweren cultuurdragers te zijn. Hun werk bestaat uit het beschimpen van de N’nen.

Die N’nen zijn te dom om in te zien hoe dom ze zijn. En omdat, zoals Darwin zegt, onwetendheid vaker zelfvertrouwen voortbrengt dan kennis dat doet, hebben ze altijd gelijk. Ze gaan dus alleen voor de vorm in debat, verkeren in de waan dat economie een harde wetenschap is en dat meten in het leven altijd leidt tot weten. Ze werken in de politiek of bij de televisie, geven leiding aan bedrijven en organisaties die allang door de A-, B- en C-spelers zijn verlaten; ze verdienen akelig veel meer geld en hebben griezelig veel meer invloed dan de M’s.

De N’nen op hun beurt behandelen de mensheid alsof die louter uit O’s bestaat. Waarmee de samenleving al gevaarlijk richting de Z gaat. Deze O’s missen het vermogen zelf na te denken, ze zijn volledig afhankelijk van de kennis die anderen in hun oren gieten; daarbij hebben ze het liefste dat men het kort houdt.

Zojuist kon je in de kranten lezen hoe de N’nen tegenwoordig marktonderzoek doen in de cultuur; boekhandels houden op afstand het digitale leesgedrag bij van hun klanten, ze noteren hoe vaak lezers een boek doorbladeren, wegleggen of van uitroeptekens voorzien. Ten behoeve van de O’s worden dan in het vervolg alleen nog managementboeken en romans geschreven waarbij de adem geen moment in hun keel blijft stokken.

De M’s stellen zich natuurlijk teweer tegen deze O-gerichte aanpak van de N’nen. Zij weten dat een cultuur niet wordt gevormd door boeken die je in één adem uitleest. De geniale boeken waarvan ik zelf het meest heb geleerd, heb ik zelfs nog nooit helemaal gelezen. Herzog van Saul Bellow? In blijven hangen. Mrs Dalloway van Virginia Woolf? Stukje bij beetje.

O’s weten dit niet. Die eten als kleuter het liefst appelmoes met knakworst en krijgen daarna van de N’nen net zolang appelmoes met knakworst te eten tot ze sterven aan obesitas en verveling. Op individueel vlak valt daar niets aan te doen, want je komt een O nooit alleen tegen, ze bestaan slechts in groepen, en heten publiek, kiezers of consumenten. Omdat het aantal O’s in de samenleving volledig wordt verzonnen door de N’nen, die baat hebben bij uitgebreide cohorten domme Nederlanders, hebben de O’s onmetelijk veel macht.

Hoe kunnen de N’nen dan zoveel O’s bij elkaar verzinnen? Dat doen ze via enquêtes. Ze beweren dat ze waardevrij onderzoek doen naar voorkeuren en gedrag, terwijl ze in feite grossieren in vooronderstellingen op grond waarvan ze de gegevens interpreteren – ‘in een boek blijven steken is slecht’ – zodat ze bij iedere enquête eruit krijgen wat ze erin hebben gestopt.

Hebben ze zo aangetoond dat we allemaal O’s zijn, dan behandelen ze ons als O’s, net zolang tot we inderdaad O’s zijn geworden, en dat is dan het moment waarop we en masse over P’s gaan zeuren. Zijn we eenmaal zo ver afgezakt, dan staat het land op het punt een ontwikkelingsland te worden.

Zo verspillen we onze tijd aan het alfabet na ons. Terwijl het in het huidige tijdsgewricht hard nodig is aandacht en steun te bieden aan het alfabet voor ons. Voorwaarts, moeten we, opwaarts. Crises bestrijden. Ik laat het daarom aan uw eigen oordeel over of u nog tijd voor mij vrij wilt maken. Bent u nog stommer dan ik, dan lijkt het me heel verstandig dat u mijn stukken voorlopig blijft lezen. Maar bent u slimmer, ga dan alstublieft, alstublieft, duurzame energiebronnen uitvinden en het klimaat redden.

Marjolijn Februari is filosoof en essayist.